De hoofddoek zit ergens opgefrommeld onder in mijn tas, terwijl ik een gigantische bak ijs naar binnen lepel. Ik ben in Addis Abeba en voel me net een klein kind in een snoepwinkel. Na twee maanden in de woestijn gezeten te hebben ben ik enthousiast over alles: een warme douche, een menukaart met allerlei verschillende gerechten (en geen geitenvlees!), een normaal toilet, internet (internet!) en het belangrijkste: zoveel ijsjes als ik op kan eten. Ik waan me in New York, de stad waar alles kan.
Eens in de 6 weken tot 2 maanden worden we naar Addis gevlogen voor ‘rest & recuperation’, een verplichte mini-vakantie om even uit het project te zijn. En ik merkte pas hoe elke hersencel van mij verzadigd was met het project, toen ik er uit was. “Jeltje, kun je alstjeblieft ophouden met praten over Wardher? Sinds we gearriveerd zijn praat je alleen maar over het project en we gaan nu leuke dingen doen’, corrigeerde mijn teamgenoot me, terwijl we op een terras zaten. Na deze terechtwijzing was de knop om en heb ik heerlijke dagen gehad.
Het verschil tussen Addis en Wardher is groter dan het verschil tussen Addis en Amsterdam. De cultuur en de mensen zijn volledig verschillend van elkaar. Ik geniet met volle teugen van Addis. Mijn dagen vul ik met eten, drankjes drinken, nieuwe mensen leren kennen, zwemmen, internetten, shoppen, slapen.
Op de terugweg ben ik de enige passagier in het vliegtuig. Ik voel me net Paris Hilton, een privé-vliegtuig voor mezelf! Maar de leukste verrassing kwam toen we boven Wardher cirkelden voordat het vliegtuig landde. Ik probeerde de piloten enthousiast uit te leggen: “look, that’s the hospital! And there is the compound! And do you see these camels!” Het voelde werkelijk aan als thuiskomen. Terug op de basis krijg ik een knuffel van de bewakers en van mijn mede-expats en ga ik weer aan de slag in het ziekenhuis. Alsof ik nooit ben weggeweest. Alleen mijn hoofd is wat minder vol.
