Een week geleden bevond ik me nog in Nederland, waar ik genoot van gezelschap van vrienden, familie en de eerste warme lentedagen. Nu bevind ik me in Zuid-Sudan, een land waar ik nog helemaal niets van begrijp, ondanks dat ik bijna 4 maanden in het noorden van Sudan, in Darfur, heb gewerkt. De halve nacht heb ik wakker gelegen,deels vanwege de hitte en geluiden van huilende baby’s, blaffende honden en onbekende insekten om me heen, deels vanwege het wikken en wegen over de patienten die ik vandaag aan zal treffen.
Na een gedegen briefing in Amsterdam reisde ik via Nairobi naar Loki, een dorp in Kenia aan de grens van Zuid-Sudan. Dit enerzijds typisch Afrikaanse dorp, waar de Turkana bevolking nog in hun traditionele gewaden en gekleurde sieraden trots over de rode paden paraderen, werd jaren geleden de nederzetting van vele internationale hulporganisatie, als toegangsweg naar Zuid-Sudan. Nu nog heeft AZG hier een kantoor en grote opslagruimten van waaruit de 4 projecten in Zuid-Sudan per vliegtuig worden voorzien van medische en logistieke bevoorrading.
Na een eerste ontmoeting met alvast wat collega’s uit mijn toekomstige project en de andere projecten (en horen van verhalen over uitbraken van meningitis en cholera, aanhoudend geweld tussen clans met vele slachtoffers als gevolg) vlieg ik na een aantal dagen door naar Juba. Juba is de hoofdstad van Zuid-Sudan. Vergeleken met Khartoum, de hoofdstad van Noord-Sudan, is Juba een dorp. Stoplichten met toeterende auto’s opgelijnd zie ik niet en in plaats van gedegen stenen gebouwen met aangelegde tuinen en hoge muren zie ik verschillende sloppenwijken met deels verlaten en deels bewoonde bouwvallige rieten hutjes. Een van mijn collega’s vertelt me dat een groot aantal vluchtelingen zich hier tijdens de oorlog heeft gevestigd; een aantal maanden geleden deze wijken heeft verlaten en terug is gegaan naar hun oorspronkelijke dorpen.
Een dag later vlieg ik met mijn collega, ook nieuwkomer in het project, vanuit Juba verder naar het plaatsje Leer. In Juba regende het nog en was de omgeving prachtig groen. In Leer is het vreselijk heet en is er voornamelijk zand met her een der een verloren grasspriet. Die eerste dag krijg ik een rondleiding over de kliniek en ontmoet mijn collega’s, zo’n 10 internationale stafleden en in totaal zo’n 150 nationale stafleden. Het dwarrelt me van de namen en onbekende, maar vriendelijk lachende, gezichten. De kliniek, een aantal stenen gebouwen en tukuls verspreid over een grote compound oogt rustig en georganiseerd en ik verbaas me dat hier maandelijks zo’n 9000 poliklinische en 100 klinische patiënten geholpen worden.
De compound waar de internationale staf woont, een kleine 5 minuten lopen vanaf het ziekenhuis, is ruim opgezet en heeft een aantal bomen met schaduw. Onder een van de bomen, blijkbaar ons kantoor, legt de project-coordinator ons de belangrijkste ins en outs van het project voor. Die avond zit ik nog even voor mijn hut en zie de heldere sterren verlicht zoals je ze in Nederland niet ziet. Ik keek uit naar mijn eerste dag in het ziekenhuis.
Gister begonnen we rond een uur of 8 met een korte overdracht van de nacht. Daarna ga ik aan de slag op de chirurgische afdeling met mijn voorgangster; we zullen een aantal dagen samen kunnen werken. Nog voordat we alle patiénten hebben besproken ontvangen we telefoon. Elders in het land is een dorp enkele nachten geleden door een vijandige stam aangevallen. Mannen, vrouwen en kinderen werden geslagen en beschoten; huizen werden tot de grond afgebrand. Vele slachtoffers zijn gevallen waaronder, naar later blijkt, meer dan honderd doden. Een team van AZG is direct hierheen gereisd om gewonden te behandelen. 4 ernstig gewonde patiënten worden nu richting Leer gevlogen.
Ook vraagt de verloskundige ons om hulp. Zij zorgt voor een aanstaande moeder met hevige contracties. Ze heeft eerder een keizersnede doorgemaakt en ook nu lijkt de ligging van het kind niet optimaal te zijn. Ze wil echter niet geopereerd worden dus besluiten we een vaginale bevalling af te wachten.
Halverwege de middag komt het vliegtuig met de 4 patiënten aan.. Ze zijn allen stabiel maar hebben allemaal wel 1 of 2 ledematen in dik verband en gips. Een van hen, een 2 jarig meisje, heeft een kogel in haar enkel gehad. In de operatiekamer blijkt de voet onherstelbaar beschadigd te zijn en ik zal haar grootmoeder (haar moeder is overleden tijdens de aanval) moeten overtuigen van een amputatie. Dan blijkt een dame hevig te bloeden op de kraamafdeling; ze heeft een spontane maar incomplete abortus en we moeten ingrijpen op de operatiekamer om het bloeden te stoppen. De barende dame blijkt nog geen kindje te hebben en ik constateer een niet vorderende baring, een noodzaak tot keizersnede. We brengen de operatiekamer in orde en we praten en reden en overtuigen en praten maar helaas, en tegen mijn verbazing in, wil de patiente in kwestie niet geopereerd worden. Mijn staf vertelt me dat ik nog uren kan praten en uitleggen maar dat dit niet zal helpen; zij hebben dit blijkbaar al eerder meegemaakt; ik moet de natuur maar zijn gang laten gaan en dat is geheel tegen mijn ethische principes. )Inmiddels is het buiten donker geworden en moet ik besluiten de overige slachtoffers de dag erna te helpen; ze zijn immers stabiel…
En nu bij het kraaien van de dag vraag ik me af hoe ik straks de patíenten zal aantreffen. Is de moeder alsnog bevallen? Wat bevindt zich onder de dikke verbanden? Zullen er nog meer gewonde slachtoffers binnen gevlogen worden?
Addy