Soms zet zich een liedje in mijn hoofd vast, en loop ik dat voortdurend te fluiten, te zingen of te neuriën zonder mij dat bewust te zijn. Mijn omgeving wordt daar na kortere of langere tijd (meestal na kortere tijd overigens) stapelgek van, en probeert dan door tegen-melodietjes mij van de tic te genezen. Mijn arme echtvriendin, ex-associée en assistentes kunnen hier van meepraten.
In Gordil zitten we met z’n tweeën als expats zeer op elkaars lip, Elie en ik. De hele dag werk je samen, of althans binnen elkaars gezichts- of gehoorsafstand. En we eten samen. We slapen ieder in een eigen tukul, maar die zijn even geluiddicht als een tent: raam en deur open om nog énige ventilatie te krijgen en muskietengaas houdt ook al geen geluid tegen. Ik ken het deuntje van de Congolese nieuwsberichten zoals hij dat van de wereldomroep zal kennen. Meestal gebruiken we daarom van die oordopjes, dan heeft de ander er geen last van als je je radio of MP3 aan het beluisteren bent. En nu is Elie dus het slachtoffer van mijn slechte gewoonte. Hij tolereert het glimlachend.
Elie is verpleegkundige, een gemoedelijke, enorme reus uit Congo-Brazaville. Ik heb erg met hem geboft: hij is zeer ervaren in Artsen zonder Grenzen-missies, en weet zowel van toeten als blazen wat betreft werken met beperkte mogelijkheden, als van de hoed en zijn rand wat betreft de manier van met elkaar omgaan binnen Artsen zonder Grenzen. Dat is maar goed ook, want ik weet nog vrijwel van niets, en onze ‘log’ is er momenteel ook niet: die volgt een cursus. Hij zit in Nederland nota bene, de stakker: het land van mest en mist en vuile koude regen doet zijn naam eer aan als ik de weerberichten mag geloven. Doe mij maar Vakaga!
Maar omdat je zo op elkaars lip zit merk je ook veel bij elkaar op. Hij zat ergens mee, en bleef daar maar mee zitten. Zó dat het zelfs mij op viel, en dan kan je daar gelukkig over praten. Ik weid verder niet over zijn problemen uit, maar je wordt heel erg ‘close’ in een setting als deze.
Ik ben niet een echt ochtendmens, maar sta meestal welgemoed op, en begin letterlijk fluitend de dag. Het vooruitzicht van onze heerlijke douche vraagt mij daar ook om. Maar er was eens een probleem dat me bezig hield (waarover mogelijk een andere keer meer.) Elie vroeg me wat er mis was toen we naar de begin-van-de-dag-bijeenkomst in de kliniek liepen. Hoe weet jij nou dat er wat mis is? Je fluit niet vandaag! ‘t Was mij niet eens opgevallen.
Sinds ik hier ben fluit en neurie en soms zing ik ook zachtjes maar wel héél erg vaak een liedje van Yves Duteil: ‘Prendre un enfant par la main’ (Neem een kind bij de hand.) Dat is wel buitengewoon van toepassing op ons werk hier: eerstelijnszorg voor de bevolking natuurlijk, maar met de nadruk op kinderen van 0 tot 5, en zwangeren, want die zijn extra kwetsbaar, zowel biologisch als sociaal.
Vanmorgen weer wat diarree-kindjes gezien, en weer die akelige ondervoeding. Je zou ze allemaal in je armen willen sluiten en verzorgen alsof ze van jou zijn. De laatste zin van het liedje is ‘Prendre un enfant pour le sien’ (Neem een kind alsof het het jouwe is)
U kunt het liedje vinden op www.dailymotion.com/video/x24hed_yves-duteil-prendre-un-enfant-par-l_music .
Als U wilt weten hoe het werken hier voelt: luister er eens naar.
HgrJW. En de groeten van Elie.
Artsen zonder Grenzen is vréselijk voorzichtig. Ik wou dat ze wat minder voorzichtig waren, dan konden we meer voor de mensen hier doen. Want we ‘bewegen’ niet, d.w.z. we verplaatsen ons niet over de weg.
In ieder geval, we ‘bewegen’ dus niet. Met heel goede redenen. Dat weet ik en die redenen ken ik. Eén van de twee Landcruisers die we hier hebben, ‘Mobil 52′, heeft in plaats van glazen driehoekige raampjes in de voordeuren triplex. Omdat de raampjes die daar oorspronkelijk zaten stuk gingen toen er op 10 maart 2008 een kogel langs kwam. Die raakte niemand, gelukkig, alleen de twee raampjes zowel links als rechts. Maar een andere kogel raakte wel iemand: de moeder van een patiëntje dat naar huis gebracht werd, die achterin zat. Kindje beter, moeder dood. Dat wil je niet nog eens meemaken natuurlijk. Dat wil je helemaal niet meemaken. Over drie weken hebben we een herdenkingsbijeenkomst in de kliniek. En ter nagedachtenis houden we een auto met houten raampjes voor. Iedere keer als ik die auto zie begrijp ik waarom we niet ‘bewegen’. Dat is een keer of acht per dag.
Mogelijk herinnert U zich Mariaze, de gevallen hardloopster. Ik schreef 10 dagen geleden over haar. Maar ik schreef alleen over haar arm, omdat ik de spalk die mijn traditionele ‘collega’ (die men hier ‘Maribou’ noemt) maakte zo bewonderde.
Ik duid hem dat niet euvel. Geenszins. Ik weet het ook niet. In ‘gewone’, wat welvarender omstandigheden zou je er een röntgenfoto van (laten) maken. Dan zou je weten wat er stuk was, en wat niet. Maar ja, ik heb nog minder dan mijn traditionele ‘collega’ röntgenogen. En het dichtstbijzijnde functionerende röntgenapparaat is zo’n 150km (door de lucht) verderop, en voor ons alleen beschikbaar in direct levensbedreigende omstandigheden. En daarvan was hier geen sprake. Dit was ‘alleen maar’ (!!!) een meisje met veel pijn dat mogelijk door een verkeerd helende gebroken heup de rest van haar leven niet meer hard zou lopen, maar invalide zou blijven. We live in an unequate world!
Maar moeder begreep het niet: meermalen daags erg veel zorg voor een arm die geen last (meer) veroorzaakt, en geen aandacht voor een heup die erg veel pijn geeft. Nou ja, geen aandacht? Dagelijks onderzocht ik zorgvuldig ook de heup, al was het alleen maar omdat ik bang was dat zich in de daar aanwezige bloeduitstortingen ook een abces zou ontwikkelen. Tot nu toe niet. Na de wandeling was de heup wel wat warm, dus vroeg ik iets minder intensief te oefenen. ‘t Is ook nóóit goed: eerst moet je oefenen, dan doe je weer te veel!
Een jongeman was in zijn pols gebeten. Een slangenbeet is altijd maar een
Als er op het ziekenhuisterrein een slang gesignaleerd wordt doen de
Enige jaren geleden was er een radio-reclame voor ik weet niet meer precies wat met bovenstaande ‘slagzin’.
De pijn was vervelend, maar de man was niet kinderachtig, dus wachtten ze af. Een dag: pijn nog net zo erg. Nog een dag: knapte het op, of begon het te wennen? Nog een dag: nee, het knapte niet op. Bewegen deed nu ook al pijn in zijn buik. Gelukkig konden ze een paard en een wagen lenen, en ze togen op weg naar Gordil. Ze deden er anderhalve dag over, hobbelend over wat wegen moeten voorstellen hier. En dat terwijl ieder hobbeltje pijn in zijn buik deed en dat steeds erger werd. Aan het eind van de ochtend verschenen ze op onze polikliniek. Meneer kon letterlijk niet meer op zijn benen staan, en werd door een zoon naar binnen gedragen.
Een ezel stoot zich in ‘t gemeen, slechts één maal aan dezelfde steen. Er zijn hier nogal wat ezels, en die stoten zich eigenlijk nooit geloof ik. In tegenstelling tot wat gezegd wordt zijn het best slimme beestjes. Ze scharrelen hun kostje op langs de weg of in het dorp, en worden zowel als last-, als als trekdier gebruikt. Ze lopen niet hard, maar wel lang: duurlopers.
We wonen als expats in Gordil op de ‘base’ ieder in een eigen ‘Tukul’; een rond stenen huisje met een rieten dak. In Zuid Afrika heten deze bouwsels ‘rondavels’, en zijn ze groter dan hier. Binnen kan je goed rechtop staan. Het probleem is dat de ingang zo laag is dat je diep moet bukken om naar binnen en naar buiten te gaan. De ‘eetkamer’ en de ‘praatkamer’ op de base lijden aan hetzelfde euvel: ze zijn geheel naar locale maatstaven gebouwd, en mensen hier weten niet beter dan dat je gebukt ergens in of uit gaat. Maar ik, nog nieuw zijde, vergeet dat, met name als ik ‘s morgens vroeg nog niet helemaal wakker, naar buiten kom.