jan 31
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Mas-Ahaba

Kleine kinderen trekken wel eens aan tafels en soms valt er dan een theepot om. Heet water is de meest voorkomende manier voor kinderen om brandwonden op te lopen. Naarmate de inrichting van het huis onoverzichtelijker is, er meer mensen en met name kinderen in de kamer zijn is de kans op ongelukken groter. Er leven hier erg veel mensen in kleine ruimtes, en die drinken erg hete thee.

De behandeling van brandwonden bestaat, zoals U in Nederland allemaal al lang weet, uit veel koud water over het slachtoffer, althans zijn verbrande delen, laten stromen. En daar beginnen de problemen, want er is hier niet veel water, en het water dát er is is zeker niet koud.

Dus behandelen we regelmatig kinderen met aanzienlijke brandwonden. Medisch-technisch meestal niet een groot probleem, alleen een boel werk. In Nederland zou je ze ‘open’ behandelen: in een erg schone kamer, in een heel erg schoon bed, zonder verband, of hooguit iets bedekkends om te voorkomen dat de wond uitdroogt, en een infuus om te voorkomen dat de patiënt uit droogt. Maar hoewel we reuze ons best doen, is een erg schoon bed in een schone kamer hier een illusie: overal is (erg fijn) stof en de cultuur is ook nog eens dat men elkaar veel en intensief aanraakt als er zorgen zijn. En handen wassen stimuleren we zeer maar is nog geen algemeen gebruik. Dus ‘pakken we ze in’: zo steriel als we kunnen bedekken we de wond met een vet gaas en zilversulfadiazinezalf en houden dat alles met verband op z’n plaats. Zoals je in Nederland met wat kleinere brandwonden ook zou doen.  Sécouritste Cheriff is een waar kunstenaar op dat gebied.

Mas-Ahaba is 2½ en was een paar dagen opgenomen wegens verbanding van zijn linker arm en de linker kant van zijn borst. Als alles goed gaat,en de verbranding is niet al te diep, is het in een dag of vier alweer grotendeels genezen. U ziet hem hier de dag voor hij naar huis ging, om verder ‘poliklinisch’ verbonden te worden.

Bij zijn afscheid vertaalde Cheriff zijn naam: die betekent ‘Toen de oorlog kwam’: hij werd geboren de dag dat zijn familie de brousse in vluchtte.

Ik ben maar man, ik ben nooit bevallen, maar het hoort tot de categorie belevenissen waarvan ik denk: mooi om gedaan te hebben, maar vreselijk om te doen.
Ik ben ‘van na de oorlog’, opgegroeid in een vreedzaam, welvarend land. Dat kan noch van Mas-Ahaba, noch van zijn moeder gezegd worden. Na gelukkig samenleven van ruim 40 jaar met een echtvriendin die tot ver over haar oren in het vluchtelingenwezen zit ken ik akelige vlucht-verhalen. Die hoor je hier ook wel trouwens, en ik vertelde er al over. Maar ik weet dus niet werkelijk waar ik het over heb als het om vluchten gaat.
De combinatie van weeën en zelfs persweeën, met hals over kop wegvluchten omdat er in de verte een pick-up met mannen met geweren aan komt die al eerder een nabijgelegen dorp hebben platgebrand, wat mannen hebben vermoord en wat vrouwen hebben verkracht, gaat mijn bevattingsvermogen te boven. Maar deze rustige vriendelijke dame in het groen deed het, en overleefde het. Ze moet héél erg sterk zijn. Ze gaf toestemming voor het maken van deze foto en publicatie ervan in het Nederlands. Ook dat is moedig. Dank en hulde.

We live in an unequate world.

HgrJW.

P.S.: Meestal verander ik namen en leeftijden in mijn stukjes, dat kon hier niet, want naam en leeftijd zijn essentieel voor het verhaal. Zodoende.

jan 30
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Duivels

Zo rond 10 uur ‘s morgens  werd een jonge vrouw (17 lentes) naar de kliniek in Gordil gebracht, aan het eind van haar eerste zwangerschap.

Ze werden opgevangen door de ‘matrone’ en die vertelde me dat alles goed was: mogelijk wat beginnende weeën, en ze had wat last van ‘diables’ (Dat is het Franse woord voor duivels), een soort paniek-aanvallen die, naar me werd verteld, heel gebruikelijk zijn voor Centraal Afrikaanse meisjes die voor het eerst gaan bevallen. Ook Nederlandse meisjes hebben daar dan zorgen bij, dus ik raakte niet ongerust.

Tegen het eind van de dag werd ik er bij geroepen omdat ze koorts kreeg, en ook liep haar bloeddruk op. En toen ik haar zag schrok ik me een ongeluk, want de zogenaamde ‘duivels’ bleken epileptische aanvallen te zijn. De arme meid was al een dag of vijf aan het stuipen! Een wonder dat ze nog leefde! En dat haar baby nog leefde! Dit is ecclampsie! Ik had het nog nooit in het echt gezien, en kennelijk de lokale vroedvrouw evenmin, maar je kan er niet omheen kijken. Kennelijk waren de aanvallen in het begin licht geweest, want ze was toen nog bij kennis geweest tussendoor. Nu niet meer.

Protocollenboek gegrepen (Artsen zonder Grenzen heeft werkelijk voortreffelijke protocollen voor van alles en nog wat), per satelliettelefoon gevraagd of ik dat protocol goed begrepen had, en een infuus met magnesiumsulfaat gegeven. Of de magnesium de duivels uitgedreven heeft weet ik niet, maar het stopte in ieder geval haar aanvallen.

Het volgende probleem is dat in zo’n geval de baby zo snel mogelijk geboren moet worden: de doorgaande zwangerschap vergroot de kans op volgende aanvallen en dus hersenschade voor de moeder, en de baby zelf loopt ook gevaar. Vroedvrouw en ik werden het niet echt eens over hoe de baby lag: zij voelde een hoofdje beneden, en ik eentje boven. Maar erg belangrijk was dat op dat moment niet: het moet er uit. Dus naast de magnesium ook nog heel voorzichtig een weeën-opwekker in haar infuus. Mogelijkheden voor een keizersnede hebben we niet in Gordil, dus veel keus verder hadden we ook niet. De weeën kwamen en de aanvallen bleven gelukkig weg. En om 23:22 uur werd een verrassend klein meisje geboren, dat een mooie start had. En toen werd duidelijk waarom vroedvrouw en ik het niet eens werden: er zat nog een kindje in die buik!

Maar er waren geen weeën meer. We wachtten een uur: niets. Nog een uur: niets. Nog een uur: nog steeds niets. Geen toestand: levend kind in dwarsligging, maar zó hoog dat ik er niet bij kon, in een bewusteloze moeder met een wijd open baarmoeder. Levensgevaarlijk voor beide! Weer per satelliettelefoon gevraagd of we echt naar de volgende fase moesten: meer weeën-opwekker. Risico daarvan is dat je de baarmoeder te veel stimuleert en daardoor bloedtoevoer voor de moederkoek belemmert en dat daardoor de baby overlijdt. Ja: voorzichtig opvoeren die dosis, luidde het antwoord. Dat deed ik dus. Niet voorzichtig genoeg? Na een half uur was er eerst één, en 10 minuten later nog een wee. Die laatste duurde wat lang. En toen was de tweede baby dood.

Het uit een bewusteloze moeder trekken van een dood kind is vreselijk om te doen. Het lukte. Met nog veel meer weeën-opwekker kwam de nageboorte snel en compleet, en tot mijn grote opluchting ontstond er geen nabloeding. Hoewel je pas na 48 uur mag zeggen dat het over is, konden vroedvrouw en ik elkaar zo rond 04:00 ‘s morgens feliciteren: moeder en één kind hadden de ecclampsie overleefd, en dat waren twee overlevenden meer dan ik aan het eind van de vorige dag vreesde. Leve de Artsen zonder Grenzen protocollenboeken, en de satelliettelefoon, en de vroedvrouw aan de andere kant daarvan. Zonder geluk vaart niemand wel.

De volgende dag was de jonge moeder nog slechts half bij bewustzijn. Iedereen zei dat ze ‘moe’ was na de bevalling, en dat zal best ook wel, maar ik denk eerder dat het hersenbeschadiging was na 5 dagen epileptische aanvallen.

Inmiddels zijn we 5 dagen verder: moeder is wakker, zij het nog wat verdwaasd, maar zowel zij als baby Zena (1750gr licht) begrijpen inmiddels waar borsten voor dienen. We hebben gewonnen!

HgrJW.

jan 29
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Dilemma 2

Fadia, bijna 2,  werd door haar moeder naar de kliniek gebracht wegens wat ik in Beetgumermolen altijd ‘de algehele versnottering’ noemde: een uit de hand gelopen verkoudheid, met keelontsteking, middenoorontsteking en oogontsteking, en uiteraard koorts. Zo’n kindje voelt zich uiterst onprettig, wil de hele dag op zijn/haar moeder hangen, is jengelig, en er komt snot met pus uit alle openingen: neus, oren en ogen, en daar het door de keelpijn ook al niet kan slikken kwijlt het ook nog. Ik had natuurlijk met die kindjes te doen, maar ook met hun arme moeders, want eigenlijk functioneren die als lopende zakdoek.
Medisch gesproken geen erg groot probleem: een neusdruppeltje, wat paracetamol, een scheutje amoxicilline en een zakdoek dus, en vooral een boel extra hygiëne, want die pus-snot is wel besmettelijk.
Wat dat betreft hebben moeders in Gordil het wat moeilijker dan die in Beetgum: bedrijf maar eens hygiëne als je woont in een stoffige zandbak, met 8-10 personen in een kamer van nog geen 3x3m², waar water een schaars goed is.

Maar dit stukje gaat helemaal niet over Fadia, het gaat over haar moeder. Die hoestte een paar keer. En je bent huisarts, of je bent het niet, dus vroeg ik ‘hoest U ook?’ De vrouwen hier hebben een opvallende houding; de lichaamshouding is fier, rechtop, en straalt een combinatie van onderdanigheid en trots uit. Ze zijn merendeels wat mollig, maar deze moeder was eerder wat mager. Ze keek me even aan, keek naar haar zieke kindje, en liet haar blik naar buiten afdwalen. Ik liet mijn vraag door de vertaler herhalen, en er ontwikkelde zich de volgende dialoog:
- hoest U ook?
- ja, een beetje.
- hoest U ook wat op?
- ja, soms.
- welke kleur?
- meestal groen, en af en toe rood.
- sliep U, vóór Fadia zo ziek werd goed, of werd U vaak wakker?
- ik werd wakker door het transpireren.
- bent U de laatste maanden ook vermagerd?
- ja, ik wordt wel magerder de laatste tijd.
Ik heb hiervóór een jaar in Zuid Afrika gewerkt, en dan herken je ze eigenlijk al zodra ze de spreekkamer binnenkomen: TB, geactiveerd door HIV. En de mensen zelf zijn niet gek, en herkennen het ook, want iedereen ziet om zich heen mensen zo dood gaan. In Nederland heette dat lang geleden ‘de tering’. Maar het gaat door de HIV veel sneller dan Couperus het beschreef: je bent als je het niet behandelt binnen een jaar dood.

Nu het dilemma: zoals ik eerder schreef: we zijn hier voor noodhulp. Daar zijn we goed in. Er zíjn ook Artsen zonder Grenzen-projecten waar tuberculose en zelfs HIV worden behandeld, maar hier niet. We zijn zelfs bezig dit project weer af te sluiten omdat de oorlog hier weer voorbij is. En dat betekent dat we Fadia’s moeder eigenlijk niets te bieden hebben.
Natuurlijk: ik begon met het behandelen van haar ‘lage luchtweginfectie’. En omdat ze over een week toch terugkomt met Fadia, zal ik haar dan weer op de weegschaal zetten en ook haar longen beluisteren. En dan, als alles gaat zoals ik vrees, een volgend antibioticum proberen. En haar adviseren een plek te zoeken waar wél diagnostiek (microscopisch onderzoek van haar sputum, een röntgenfoto van haar longen voor de TB. En een HIV-test) bedreven wordt, en vervolgens behandeling kan worden ingesteld. In Birao zijn ze in het Hôpital Préfectural aan het overwegen dat op te starten, en gedeeltelijk daarmee al begonnen. Maar dat is per vliegtuig zo’n 130km verderop, en over de weg een heel stuk langer: een dagtocht per Landcruiser, en te voet of per ezel nóg een stuk langer. En dan weet ik niet hoe betrouwbaar de daar bedreven diagnostiek en behandeling nu zijn, gezien de verdere kwaliteit van dat ziekenhuis op dit moment: MSF heeft daar niet helemaal voor niets een kliniek die in overleg met dat ziekenhuis, terwijl het herstel-programma daar vordert, pas over twee tot drie maanden sluit. De schade die de burgeroorlog en de plunderingen daarna aan het ziekenhuis
aanrichtten is hartverscheurend.

Had ik moeders probleem wel moeten aankaarten terwijl ik weet dat ik haar geen oplossing te bieden heb?

In de beperking toont zich de meester. Ik ben (nog lang) geen meester.
We live in an unequate world…

HgrJW. 

En dan weet ik niet hoe betrouwbaar de daar bedreven diagnostiek en behandeling nu zijn, gezien de verdere kwaliteit van dat ziekenhuis op dit moment: MSF heeft daar niet
helemaal voor niets een kliniek die in overleg met dat ziekenhuis, terwijl
het herstel-programma daar vordert, pas over twee tot drie maanden sluit. De
schade die de burgeroorlog en de plunderingen daarna aan het ziekenhuis
aanrichtten is hartverscheurend.

jan 27
Anita vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Een lach op maandag

De start van een nieuwe werkweek begint met een bijeenkomst met alle medewerkers om de veiligheidssituatie te bespreken en andere belangrijke informatie te geven. Zoals elke maandag gaat hier een ronde van handen schudden aan vooraf en met 110 medewerkers zijn dat 110 handen! Vervolgens bespreken we met het medische team de veranderingen voor de komende week. En daarna hebben we nog een bijeenkomst met de medewerkers van de OPD (polikliniek). De Franse naam voor AzG is MSF: Médecins Sans Frontières maar gekscherend noemen we het ook wel eens Meetings Sans Frontières J

Een nieuwe werkweek betekent automatisch ook terugkijken op de vorige week. Zo vergelijken we het aantal patiënten per week in de polikliniek en deze week zijn dat er met 700 behandelde patiënten meer dan voorgaande week. Ook kijken we naar de verandering in de verhoudingen van de meest voorkomende ziektebeelden. In het droge seizoen daalt bijvoorbeeld het aantal malariabesmettingen maar neemt het aantal patiënten met luchtweginfecties en parasieten toe. Naast deze getallen moeten ook de wekelijkse gegevens van de ondervoede kinderen worden ingevoerd, wat met een nieuw register een stuk makkelijker gaat dan mijn zoektocht van de eerste weken.

Van de week hebben we een tweeling opgenomen die hier twee maanden geleden in het ziekenhuis geboren is. De twee meisjes zijn vernoemd naar de verloskundigen die dienst hadden die dag. Er worden hier in verhouding veel tweelingen geboren. Door het verdelen van het eten en de aandacht hebben zij een verhoogd risico op ondervoeding. Bij baby’s kan je nog niet echt van ondervoeding spreken omdat ze alleen borstvoeding krijgen, maar als dat niet voldoende is zijn zelfs deze zuigelingen al ‘ondervoed’. Waar bij deze tweeling de een er goed aan toe is aan lekkere dikke spekbeentjes heeft, ziet het andere meisje er uit als een verschrompeld oud vrouwtje. Gezonde baby’s horen twee maanden na de geboorte ongeveer kilo zwaarder te zijn, maar dit meisje is nu zelfs bijna een kilo lichter dan haar geboortegewicht. Ze blijkt de borst niet goed te pakken en niet de kracht te hebben om goed te drinken. Eigenlijk is het een wonder dat ze nog leeft. Ze zal het toch moeten leren anders wordt ze nooit groot! Tijdens de borstvoeding geven we haar nu een slangetje in de mond om ook uit een spuit speciale melk bij te drinken. Zo krijgt ze meer voeding binnen en leert tegelijk krachtiger te zuigen. In Nederland zou het een optie zijn om het meisje sondevoeding te geven en aan de ouders te leren hoe ze dat thuis ook moeten doen. Hier is dat door de hygiënische en armoedige omstandigheden geen optie, dus we doen er alles aan het kleine meisje zelf genoeg te laten drinken om straks gezond weer naar huis te gaan.

Op dezelfde kamer gaat het inmiddels een stuk beter met Desiré. Hij is al meer dan een kilo aangekomen en krijgt weer bolle wangetjes. Ook heeft hij weer de kracht om zelfstandig te kunnen zitten en heeft hij weer aandacht voor zijn omgeving. En vandaag was ik getuige van zijn eerste lachje! Ik merk er zelf helemaal vrolijk van te worden hem zo te zien. Zijn lach is aanstekelijk en iedereen op de kamer lacht met hem mee. De lokale taal spreek ik nog steeds niet goed, maar voor sommige dingen zijn helemaal geen woorden nodig om een vader te laten weten dat het eindelijk beter met zijn kindje gaat! En over lachen gesproken: ik heb nog nooit zoveel plezier gezien met een simpele bellenblaas. Waar sommige kleine kinderen beginnen te huilen omdat ze niet weten wat ze overkomt bij het zien van de gekleurde zeepbellen, rennen de oudere kinderen enthousiast achter de bellen aan en verdringen zich om ook te mogen blazen. En de moeders hebben nog de meeste schik bij het bellenblazen! Een lach op de maandag is een goed begin van de week!

Anita

jan 27
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

CCC

Vanavond hebben we CCC gehad. Dat betekent ‘Communication pour le changement du conduit’, of wel ‘gezondheidsvoorlichting’. Het ging over ‘onverwachte zwangerschap’. Het mocht in ieder geval geen ongewenste zwangerschap genoemd worden, en het zou ook zeker niet over voorbehoedsmiddelen of abortus gaan, was me geruststellend verzekerd. Ik moet bekennen dat ik dat juist tamelijk ongerust makend vond.
In de loop van de middag zijn twee mensen van het ziekenhuis op de fiets en uitgerust met een megafoon door het dorp gereden om dit aan te kondigen. Dat blijkt effectief, want toen we, de expat-verpleegkundige Elie, die een functie vervult die lijkt op ‘medisch directeur’, en ik, om 18:25 uur aankwamen (het is hier om 18:00 al pikkedonker) bleek het hele middenveld van het ziekenhuis gevuld met mensen, van groot naar (heel) klein, merendeels kleuters of schoolgaande kinderen, baby’s op de rug van hun moeder, één gewone TV, dus als je wat verder weg zat kon je dat beeld niet goed zien, met erg slechte geluidsweergave. Althans: ík kon het Frans niet verstaan dat ze spraken. Maar de meeste toehoorders verstaan helemaal geen Frans, dus vertaalden een verpleegkundige en de vroedvrouw per megafoon.
Vóór het begin werd ik door Elie voorgesteld, en moest ik dus ook wat over mezelf vertellen, eveneens per megafoon, terwijl ik tevoren nog aan Elie gevraagd had of ik ook een speech moest houden, en hij nee zei.
Er was een pauze, die Elie gebruikte om nog eens uit te leggen waar het over ging: ken je lijf en begrijp hoe zwangerschap veroorzaakt/verwekt wordt. Maar de biologie ervan kwam geheel niet ter sprake. De video vertoonde heftige familietaferelen van een vader die een positieve zwangerschapstest in huis vindt, met ten hemel geheven handen zijn wanhoop en boosheid uit, de jongere zoons uit het gezin uit hoort, en uiteindelijk de dochter des huizes, kennelijk de oudste van de kinderen en middelbaar scholiere, ter verantwoording roept; een bemiddelende moeder daarbij, en een tante, en ook nog een dokter.
Maar ik heb niet helemaal begrepen wat er allemaal gebeurde, omdat ik tijdens het tweede deel even mijn camera op haalde om wat foto’s te maken. Die zijn op zich ook weer opmerkelijk: niet alleen vanwege wat er op staat, maar ook door de stofdeeltjes en de mensenogen die oplichten in mijn flitslicht. Zó stoffig is het hier in deze zandbak.
De afwezigheid van biologie verbaasde me zeer. Elie vertelde me later dat die op de middelbare school ter sprake komt. Maar de meeste mensen komen niet verder dan (een deel van) de lagere school, en missen dus die informatie, en kregen die vanavond duidelijk ook niet. Maar kennelijk pikken ze het wel ergens op, gezien de grote hoeveelheid vaak erg jonge moeders. Het is dus zeker een nuttig onderwerp, en mogelijk is het juist cultureel bepaald erg goed om dingen zo verhuld te benoemen. Er komen nog vervolg-voorstellingen; ik mag hopen dat anticonceptie en op zijn minst condoomgebruik ter voorkóming van geslachtsziekten daarbij wel ter sprake komen.
Ook de aanwezigheid van zoveel kleine kinderen verbaasde me, juist bij dit onderwerp. Daarvoor zijn twee verklaringen: de eerste: er is hier nooit iets te doen, dus áls er al eens iets te doen is, dan komt ook iedereen, ongeacht het onderwerp. De tweede is dat als de ouders naar de voorstelling willen,  hun kinderen niet alleen thuis achtergelaten kunnen worden, en dus meekomen. Het fenomeen ‘babysit’ is hier onbekend.
Na afloop werd er nog een muziek-DVD vertoond ter ontspanning, met stripfiguurtjes die in mijn ogen wel zéér sensueel dansten. En tot slot nog een gewone clip met gewone mensen die eveneens op zijn minst zinneprikkelend bewogen. Dat laatste kennelijk niet alleen in mijn ogen, maar ook gezien het commentaar om me heen.
Ik heb in ieder geval weer een boeiende avond gehad.

HgrJW.

jan 26
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Warme douche

Een klein misverstand de wereld uit helpen. Ik ben niet zielig, en we zitten hier eigenlijk erg luxueus. Ik schreef in één van de eerste afleveringen dat we in Bangui een warme douche hadden en dat ik daar eigenlijk niet op gerekend had. Maar ze hebben hier in Vakaga op beide plaatsen een warme douche.
Die bestaat uit een groot vat dat op een verhoging staat. Daar staat een ladder tegenaan, en de wacht vult dat vat met water. En daar het vat de hele dag in de zon staat te blakeren (en reken maar dat die zon hier blakert) wordt het water vanzelf warm. Onderaan dat vat zit een kraan, die voor gewoon geproportioneerde mensen zoals ik ruim boven hoofd-hoogte zit. Als je die kraan open draait stroomt het water eruit en sta je dus onder een soort douche.
Aan het eind van de dag, als je na het werk toch wat plakkerig geworden bent, kan je je dus heerlijk warm afspoelen.
In Birao koelt het water ‘s nachts wel weer af helaas, want de nachten zijn (wat) koeler: zo’n 18-20º. Dus moest ik ‘s morgens na het opstaan wel eerst even diep ademhalen voor ik onder de lopende kraan stapte, en vervolgens nog dieper als je er een keer onder stond. Niet dat het echt koud was, eerder lekker fris. Goed om wakker te worden.
In Gordil heeft men het nóg beter voor elkaar. Daar is het vat niet van plastic, maar is het een oud olie-vat. Althans zo ziet het er uit. Het staat op een ander ijzeren vaatje met gaten erin, en dat geheel staat op een stenen vloertje en dat staat dan weer op hoge palen. De wacht stookt altijd een vuurtje, ik weet eigenlijk niet waarom, want erg koud wordt het niet, maar het staat in ieder geval schilderachtig. En aan het eind van de nacht pakken ze een paar brandende stukken hout van hun vuurtje en leggen die onder het watervat dat zo nodig ook nog bijgevuld wordt. Het resultaat is dat er ook ‘s morgens een warme douche is. Niet met mengkraan, en al één keer was het vuur te groot, of vulden ze wat minder bij met koud water, want toen was het werkelijk aan de warme kant. Maar meestal is het ook ‘s morgens heerlijk. Onder de kraan van dat vat is een betonvloertje gemaakt, met een afvoer-gootje, en daaromheen staat rieten matten. Het water spettert van je af als je douchet, dus wordt het zand rondom het vloertje ook wat nat, en daarvan groeit om het helemaal mooi te maken een bougainville. Zodat je werkelijk heerlijk en schilderachtig staat te poedelen.
Ik kom er net onder vandaan: de dag mag wel weer beginnen van mij!

HgrJW.

jan 25
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Kiespijn

Even een kleine herdenking: morgen drie weken geleden stapte ik op de trein naar Berlijn, en ik ben morgen twee weken in ‘mijn project’. Het nieuwste is eraf. En het wordt steeds leuker. Afgelopen donderdag vloog ik van Birao naar Gordil. Als Birao enige gelijkenis vertoont met zeg Menaldum, omdat het ook een centrumfunctie heeft, en een markt, dan mag Gordil vergeleken worden met Engelum. Zij het dat het geen kerk heeft, en een moskee al evenmin. In een grote zandbak met grijzig zand staan uit van dat zand en water gemaakte lemen stenen, opgetrokken huizen met grasdaken. En ook een aanzienlijk aantal huizen van gevlochten bamboe. Rondom een groepje huizen, waar een familie van meerdere gezinnen woont, staat meestal een schutting van gevlochten bamboe. Het is hier wat kaler dan rond Birao. Aan de rand van het dorpje is de Artsen zonder Grenzen nederzetting. Alles is kleiner, maar wat mooier dan in Birao. Mogelijk omdat het kleiner en dus overzichtelijker is lijkt het ook beter georganiseerd, mogelijk is het dat ook echt. Daar ben ik nog niet helemaal achter. Het is er in ieder geval nóg gemoedelijker.
Ik heb het aangedurfd mijn eerste eigen spreekuurtjes te doen. Leuk, want dan kom je dus echt de klachten tegen waar mensen mee zitten. En iets minder leuk dat je dan meteen ook tegen de beperkingen van deze missie aan loopt: Artsen zonder Grenzen is er voor noodhulp. Dat weet je als je daarmee op stap gaat. Noodhulp voor mensen die geen toegang tot gezondheidszorg hebben. Klinkt prachtig. Is het ook. Geven dan ook. ‘Basisgezondheidszorg’ dus. Daar zijn we voor. Ik herhaal het maar even. Maar we geven dan ook niet meer dan dat.
Waar hebben mensen last van als ze in een zandbak wonen, waar het vaak een beetje waait, en heel af en toe regent, maar waar verder weinig water is? Wel: ze wassen zich weinig, want daar heb je water voor nodig. En dat levert allerlei huidproblemen op. Ze lopen op blote voeten, of als ze wat rijker zijn met teenslippers door die zandbak. Maar in dat zand liggen scherpe stenen, en helaas ook deksels van conserven- en bierblikjes. Dus lopen ze verwondingen aan hun voeten op, met door de slechte hygiëne akelige infecties. En door het stof zijn er veel oogontstekingen. En vooral heel erg veel luchtweginfecties, variërend van gewoon een verkoudheid met wat keelpijn en koorts tot bronchitis en longontsteking. En daarnaast en daar tussendoor of overheen vooral ook erg veel malaria. Dat zijn allemaal dingen die we redelijk wel kunnen behandelen. Niet altijd even succesvol, want soms zit het tegen, maar meestal lukt het alleszins redelijk, al zeg ik het zelf.
Maar waar ik nooit aan gedacht zou hebben: kiespijn! Men drinkt hier erg veel zoetigheid. Heerlijk! Thee wordt erg sterk gezet. Vervolgens wordt een glas voor een kwart (jawel!) gevuld met suiker, en wordt de hete thee daar op geschonken. Even roeren en smullen maar! Ook erg lekker: kakadé. Waar ze het van maken weet ik niet, maar het smaakt naar een soort kersenlimonadesiroop, die ook (erg) warm wordt opgediend. Die vond ik nog lekkerder dan de thee. Want ik houd erg van zoet.
Maar ik poets mijn tanden, en de meeste mensen hier niet. Ze kouwen op houtskool! En er zijn veel mensen die denken dat suiker juist goed voor je gebit is. Het is dus geen wonder dat er veel mensen met erg rotte kiezen rondlopen, en kiespijn hebben, en niet zelden akelige ontstekingen daardoor. Ik denk dat van de 10 patiënten die ik op mijn spreekuurtjes gezien heb, er zo’n 3 wegens kiespijn kwamen. Dat is veel!
Maar tandartsen zijn hier niet. In geen velden of wegen. Zelfs wegen zijn er nauwelijks trouwens. Er is eigenlijk helemaal niets.
Dus ‘behandel’ ik kiespijn met paracetamol, en/of ibuprofen en de eventuele ontsteking met een antibioticum. Slechte geneeskunde. Maar wie weet wat beters in deze omstandigheden?
Ik ben geen tandarts, en heb niet eens het instrumentarium om een kies te trekken, als ik dat via een schriftelijke cursus al zou kunnen leren. Want internet is hier uiteraard ook niet. E-mail per satellietverbinding wel, maar beperkt, want duur. Dáár hebt U Uw goede geld niet voor aan Artsen zonder Grenzen gedoneerd. E-mail gebruik ik om onze ‘medco’ om advies te vragen als iets tegen kom dat ik niet begrijp. Hetgeen me als beginner tamelijk vaak overkomt. Of om de verpleegkundige in Birao te adviseren, want die zit daar nu zonder dokter. Hij staat zijn mannetje, maar even overleggen is soms wel prettig vinden we allebei. Dáár besteden we Uw goede gedoneerde geld dus weer wel voor. Dank voor Uw donatie.

We live in an unequate world, vindt U ook niet?

HgrJW.

jan 23
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Dilemma 1

Dit is het eerste van een serie stukjes over dingen waarvan je je kan afvragen hoe je ermee om zou moeten gaan. Ze zijn helaas letterlijk uit mijn leven gegrepen.

Een mevrouw was zwanger en ging voor de derde maal bevallen. De eerste twee bevallingen waren erg moeizaam geweest, maar succesvol afgesloten: ze had twee kinderen. Ze meldde zich in het voor haar best bereikbare centrum, zo’n 80km van Birao. Alles leek redelijk te gaan: haar vliezen braken, ze kreeg ‘volledige ontsluiting’, en ging persen. Ze perste zich pimpelpaars voor zover een zwarte huid pimpelpaars kan worden, maar er gebeurde niets. Ook niet na een uur of 6, en dat is erg lang, want in Nederland wacht je niet meer dan 1 uur. Kennelijk paste het hoofdje niet door het bekken. Ze werd naar ons in Birao verwezen. Op dat moment leek de conditie van het kindje niet slecht, en moeder werd moe, maar kon het nog wel hebben. Transport per ezelwagen, dus ze kwamen pas een uur of 12 later bij ons aan. Overigens was het per auto vast niet heel erg veel sneller gegaan, gezien de toestand van de weg.
Helaas bleek bij aankomst in Birao de baby al te zijn overleden.

In zo’n geval is het zaak de baby er uit te krijgen met zo weinig mogelijk gevaar en schade voor de kraamvrouw. Indien, zoals in dit geval, de baby al overleden is, bestaan er instrumenten om het hoofdje van de baby kleiner te maken (de vakterm is craniotomie, zoek alleen als je een sterke maag hebt op wat het is), maar die hebben we hier niet. Dan rest slechts een keizersnede om het kind uit de moeder te krijgen. Het nadeel van een keizersnede is dat bij een eventuele volgende bevalling de kans op scheuren van de baarmoeder veel groter is. Maar we hadden geen keus.
En toen vergaten we iets essentieels, door de emoties rond een dode baby en een inmiddels in acuut levensgevaar verkerende moeder in barensnood.
In Birao is een basis van de EUFOR-vredesmacht, en die hebben een chirurgisch team waarmee de afspraak is dat ze in noodgevallen ook patiënten van ons willen helpen. En dit was zeker zo’n noodgeval. Dat was de EUFOR-dokter met me eens, dus op naar EUFOR, en daar togen de chirurgen aan het werk. Dat was maar goed ook: bij operatie bleek de baarmoeder al aan het scheuren. Ik laat operatiedetails verder achterwege. Maar terwijl de operatie gaande was, bedachten we ons dat mevrouw een volgende zwangerschap zeker niet zou overleven, gezien de nu reeds aanwezige schade aan haar baarmoeder. Nu is het tijdens een keizersnede een klein kunstje om ook de eileiders af te binden ter voorkoming van een volgende zwangerschap. Maar we hadden niet bedacht dat aan mevrouw en haar man te vragen vóór ze onder narcose ging.
Ik ging het aan meneer vragen, en tot mijn niet geringe verrassing gaf hij toestemming. Dat is in dit land ongebruikelijk. De chirurg had de klem om aan de sterilisatie te beginnen al in zijn hand toen onze vroedvrouw op de rem ging staan: we hadden mevrouw zelf niets gevraagd en tenzij direct levensreddend mag je nooit iemand amputeren zonder toestemming.
Stel je dat even voor: heftige en emotionele discussies boven een open buik, terwijl de chirurg erg grote moeite had de gescheurde baarmoeder te repareren. Uiteindelijk lukte het hem de bloedingen te bedwingen, en de buik te sluiten. De chirurg verdient grote hulde. Omdat de kans op nabloedingen nog aanzienlijk was bleef ze een nachtje bij de militairen, en haalden we haar de volgende dag op. Triest door het dode kindje, met buikpijn door een ingewikkelde keizersnee, maar afgezien daarvan in redelijke conditie.
De vraag is dus hoe lang dat laatste nog het geval is. Sterilisatie is niet een noodgeval-operatie en heeft EUFOR niet te bieden. Een ander ziekenhuis waar dat gedaan kan worden is letterlijk in geen velden of wegen te bekennen. Ook MSF geeft alleen noodhulp: spiraaltjes zitten niet in ons pakket. De prikpil wel, maar daarmee is ze slechts drie maanden verder.

We live in an unequate world. Waren hier de mogelijkheden zoals in Nederland, dan was er geen echt probleem: mevrouw en haar man konden in alle rust en vrede alsnog tot een sterilisatie besluiten, en in afwachting daarvan, als de baarmoeder een beetje bijgekomen zou zijn van de operatie, een spiraaltje laten plaatsen. Dáár was het door onze vroedvrouw m.i. terecht verdedigde niet-doorgaan van de sterilisatie erg verstandig geweest. Maar hier is daar allemaal geen kans en geen kijk op. Een volgende zwangerschap leidt al waarschijnlijk tot haar dood, en als ze die zwangerschap al overleeft, doet de daarop volgende bevalling dat (vrijwel) zeker.

Hebben we tijdens die operatie de juiste beslissing genomen? Als je moet kiezen uit twee foute mogelijkheden neem je altijd een verkeerde. Was wat we deden het minst verkeerd? Ik denk het wel uit principieel oogpunt. Maar ik had liever iets minder principieel en wat veiliger gekozen…

HgrJW.

jan 22
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Baby 1

We hebben hier niet alleen ellende, er zijn, en niet eens zelden ook wel succesjes. Zo was (en ben) ik eigenlijk best wel trots op ‘baby 1′.

Tweelingen plegen vroeger te komen dan eenlingen, en hebben dus een grotere kans op problemen. Twee weken geleden werd er in Birao een tweeling geboren. De kindjes waren betrekkelijk klein: zo’n 2000 en 2600gram, respectievelijk. Maar ze deden het aanvankelijk beide goed, evenals hun moeder. Voor het gemak noemden we ze baby 1 en baby 2. We hielden ze wat langer dan gebruikelijk onder observatie, omdat met name baby 1 toch wel erg klein was.
Donderdag, toen ze zes dagen waren, vertrok mijn voorganger. Alsof hij daar op gewacht had kreeg baby 1 donderdag, dus een week geleden wat koorts. Niet veel, zo’n 38.1, en dat heb je als prematuurtje zomaar als het buiten 36 graden is. Ik kon niets aan hem vinden en wachtte af.
Dat bleek de volgende dag niet echt het goede beleid te zijn, want hij was wat slapjes, en dronk wat minder goed. En toen hij ‘s avonds nog verder verslechterde begon ik toch maar iets penicilline-achtigs te geven. Zaterdag deed hij het aanvankelijk wat beter, dronk ook wat beter, viel niet meer af, en meende ik dat we gewonnen hadden, maar zondagmorgen lag hij er erg süterich bij. (Dat is Fries voor ‘wat erger dan miezerig’.) En bovendien begon hij nu toch symptomen te vertonen die erg op een longontsteking leken. Pilletjes veranderd in injecties, dosis penicilline verhoogd, ander antibioticum toegevoegd en ook nog wat prednison-achtigs erbij gedaan. Arm kindje: je bent al zo klein, en hebt het nu ook nog benauwd, en laat die rot-dokter je ook nog eens allemaal prikken in je piezel-dunne beentjes geven! Zondag veranderde er niet zo veel. Vroedvrouw Inge en ik gingen om de beurt kijken; Inge’s vertrouwen was wat groter dan het mijne, maar ik ben professioneel pessimist, dan valt het later nooit erg tegen. Hij bleef maar aarzelen welke kant hij op zou. Zijn grotere broer bleef ondertussen doorgroeien, zodat het toch al aanzienlijke verschil steeds groter werd.
Gelukkig viel maandag het dubbeltje de goede kant op. Hij had er weer zin in, begon weer te drinken, en dinsdag begon hij zelfs wat te groeien. Met z’n drieën lagen ze inmiddels onze opnamestatistieken te bederven, omdat ze zo lang opgenomen bleven. Dus werden moeder en baby 2 ‘ontslagen’, dat wil zeggen: ze bleven gewoon opgenomen, maar hun status veranderde van patiënt naar ‘garde malade’: iedereen die hier opgenomen wordt heeft (minstens) een familielid, dat hem/haar gezelschap houdt en voor hem/haar zorgt. En bij wijze van uitzondering mocht baby 1 wel twee gardes malades hebben, want voor de voeding van baby 2 hoefden wij niet te zorgen. Die produceerde moeder.
Het was een feest om baby 1 zijn inhaal-slag te zien maken. Vannacht bedacht ik me dat ik dit wel eens voor een blogje zou kunnen gebruiken en vanmorgen wilde ik, ijdel als ik ben, een plaatje van mezelf laten maken terwijl ik baby 1 aan zijn dagelijks onderzoekje aan het onderwerpen was. Hij bleef opgenomen, omdat hij nog dagelijks meerdere injecties kreeg.
En toen bleek weer eens dat we in Afrika zitten hier. Moeder was het kennelijk geheel met ons eens dat het voortreffelijk ging, maar verschilde even kennelijk met ons van mening over de noodzaak van de nog twee resterende behandeldagen. Ze pakte haar kinderen op, knoopte ze op haar rug en vertrok. Voor mij restte slechts een plaatje van hun lege bed.
Nu maar hopen dat die twee resterende dagen inderdaad overbodig blijken te zijn…
HgrJW.

jan 20
Addy vanuit Darfur.

On mobile

Elke zondag gaat  een deel van ons team, zowel internationale als nationale staf, voor een aantal dagen ‘ on mobile‘. Naast onze kliniek in Feina runnen we ook een mobiele kliniek in Gulombei, een dorp een stuk verderop.

Deze week is het mijn beurt. Nadat ik de de meest zieke patiënten vroeg in de ochtend in het ziekenhuis heb gezien en hun behandeling voor komende dagen heb voorgeschreven, pak ik mijn gepakte tas uit mijn tukul. Inmiddels zijn twee MSF landrovers bepakt met medicijnen, voedingsvoorraad, nationale stafleden en enkele genezen patiënten. Ik spring op de bijrijderstoel van de tweede auto en na een eerste radio check vertrekken we in konvooi. We nemen de weg zuidwaarts die ons voert rondom de heuvels. Het is een vreselijk stoffige weg bezaaid met stenen en een snelheidslimiet is hier dan ook niet van toepassing; we halen nauwelijks een snelheid van 30 km per uur. Her en der zien we kleine nederzettingen met zo’n 5 tot 10 hutten, sporadisch halen we een kameel-met-bijrijder in maar voornamelijk rijden we door een middle-of-nowhere.

Wanneer we zojuist een droge rivierbedding hebben gepasseerd, roept de laboratorium assistent Abdulrazig, die achter in de auto verscholen zit achter jerrycans en tassen, dat we zijn dorp naderen. Zo’n 300 meter verderop verschijnen de eerste silhouetten van hutten en gebouwen. Echter, wanneer we dichterbij komen zie ik dat de meeste gebouwen geheel verwoest en onbewoonbaar zijn; ik zie muren die doorspekt zijn met gaten, gebouwtjes zonder daken en hutten waarvan enkel de fundering nog maar staat. Abdulrazig verteld me dat enkele jaren geleden zijn dorp aangevallen werd door voor hen vijandige troepen. Er werd geschoten, huizen werden verwoest en de bevolking werd gedwongen te vluchten. Veel van hen, oa Abdulruzig en zijn familieleden, vonden onderdak en een nieuw ‘thuis’ in Feina.

 Even later rijden we door een schitterend groene vallei met mangobomen, sinaasappelbomen en grazende geiten. We weg wordt versperd door enkele over de weg rollende ezels en we maken een korte stop. Een aantal groen-en-geel  ogende patiënten braken achter de struiken; nu begrijp ik wat die plastic zakjes waren die zo af en toe uit de eerste auto werden gegooid!
 
Na een ruim 3 uur durende rit komen we aan in Gulombei, een prachtig gelegen dorpje omringd door heuvels. Een aantal bewoners, die elke week een aantal dagen met ons werken in de mobiele kliniek, wachten ons al op. De auto’s worden  uitgeladen en een aantal tenten wordt snel en efficiënt  ingericht tot  vaccinatiecentrum, consultatieruimte, apotheek en wond behandelingsruimte. Ondertussen doe ik een eerste triage onder de tientallen wachtende patiënten. Enkelen van hen wonen in  Gulombei maar velen hebben, net als ons, er al een aantal uren durende reis op zitten. We richten ons hier met name op kleine kinderen, zwangeren en spoedgevallen. Van volwassen, niet urgente, patiënten wordt verwacht dat ze onze vaste kliniek in Feina bezoeken. Maar je kunt je voorstellen dat het niet zo gemakkelijk is een oude dame met pijnlijke gewrichten, die zojuist 4 uur heeft afgelegd, te vragen nog eens 6 uur door te brengen op de rug van een ezeltje voor een zakje paracetamol en multivitamines.   Dus werken we die dag hard om alle ondervoede kinderen te voorzien van hun plumpynut (vitamine- energierijke pindakaasachige substantie; geweldige vondst in de behandeling van ondervoeding!), zwangere vrouwen te controleren en gezonde kinderen te vaccineren. Samen met een lokale consultant zie ik in een gezamenlijke tent de patiënten met klachten, variërend van een zere kies tot hartfalen tot ontstoken ogen tot diarree.

Patiënten worden, na registratie en meten van temperatuur en gewicht, in bosjes tegelijk naar de consultatietent gestuurd. Hier wachten ze zittend op de matten naast mijn tafeltje en luisteren vol  interesse naar de klachten van en adviezen aan andere patiënten geven; niet ideaal wat betreft de medische geheimhoudingsplicht maar het heeft ook zijn voordelen. Als ik een moeder vertel, wiens 3-jarige dochtertje afgelopen weken al 4 maal behandeld is voor diarree, dat ze water gedurende 15 minuten moet koken, haar handen moet wassen na bezoek aan het toilet etc., word ik luid bijgestemd door de moeders op de matten. De arme vrouw naast me wordt streng toegesproken door haar dorpsgenoten en allerlei adviezen uit verschillende hoeken worden haar toegeslingerd. .

Aan het einde van de middag, wanneer alle patiënten vertrokken zijn en we de boel opruimen en klaarzetten voor morgen, besef ik dat deze ‘ mobiele kliniek’  het woord mobiel ontgroeid is.  Wat ongeveer een jaar geleden begon als een 1 dag durende activiteit is nu uitgegroeid tot een halve week werk voor een hardwerkend team. De tenten de tenten zijn klein, geven geen mogelijkheid voor privacy en beginnen tekenen van verslijting te tonen. Het plan is dan ook om over een maand deze mobiele kliniek te veranderen in een dagelijks geopende vaste kliniek.

In de schemering wandelen logisticus Simon en ik, gevolgd door een sliert kinderen, naar de andere kant van het dorpje waar onze nieuwe kliniek zich zal gaan bevinden. Een omheiningsmuur is al aangelegd en Simon toont me waar enkele lokale bouwvakkers zullen beginnen met de bouw van registratie, consultatieruimte, apotheek en woonruimte.

Bij terugkomst is onze verloskundige druk bezig met bereiding van het avondeten. We rollen enkele matten uit en plaatsen schalen met vlees, groenten, pepers en broden in het midden. Onder de sterrenhemel genieten we van de maaltijd, evalueren we de dag en krijg ik een les Fur, de lokale taal, van m’n teamgenoten. Moe maar voldaan vertrekken we daarna naar ons uitgerold bed en warme deken, in de vaccinatietent, antenatale zorg of voorraadkamer.

3 dagen later, na consultatie, vaccinatie, zwangerschapscontrole, wondbehandeling van honderden patiënten, behandeling van enkele spoedgevallen en wederzien van Halima (zij en haar dochtertje, geboren per keizersnede in Nyala maken het goed!) sluiten we de poorten. We maken de balans op en laden de landrovers in met overgebleven bevoorrading. We nemen enkele patiënten met ons mee, voor verdere behandeling en opname in Feina, oa een vrouw een tweelingzwangerschap, een kind met brandwonden een een ziek jochie met hoge koorts en geelzucht. Dan worden we uitgezwaaid door de lokale staf uit Gulombei omringd door enkele patiënten. Chrokran en tot volgende week!

Addy

jan 19
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Wonderen gebeuren

Er kwam een kindje van 1½ jaar naar de kliniek in Birao met diarree en koorts en malaria. Ver uitgedroogd. Op sterven na dood, dacht ik: slap, oogjes diep ingezonken en als ze even open waren naar boven gericht zonder iets te zien. Misgedacht: één van de verpleegkundigen toverde een infuus in een ader, en daarlangs kon vloeistof worden toegediend. Dat infuus wekte mijn grote bewondering: als je uitgedroogd bent heb je dus te weinig vloeistof in je lijf en dat lijf reageert daarop door de bloedvaten zo klein en dun mogelijk te maken om dat kleine beetje althans nog wat aan het stromen te houden. Zo’n bloedvat aanprikken is technisch een grote kunst. En het lukte in één keer. En wat er dan gebeurt is werkelijk een wonder: in een half uurtje zag het er al een stukje beter uit, en na een paar uur hoorde het kindje weer geheel tot de levenden, die enge dokter krachtig wegduwend toen die hem nog eens wilde nakijken! Eerste ronde gewonnen! En inmiddels, drie dagen later kunnen we zeggen de hele wedstrijd gewonnen te hebben: hij heeft de kliniek weer lopend verlaten. Twee-nul voor de verpleegkundige. Ik feliciteerde hem daar uitgebreid mee, want als nieuwkomer hier verbaas ik me nog over gebeurtenissen als deze.

Of nóg een ‘wondertje’: in onze omgeving is ook een missie van het rode kuis. Die organisatie hanteert veiligheidscriteria anders dan Artsen zonder Grenzen-Holland, en zíj mogen wél rondrijden. Ze hadden op één van hun tochten een meneer gezien met een ‘vreselijk oog’ zoals ze het beschreven, en hadden gevraagd of ze die naar ons mochten brengen om te proberen daar wat aan te doen. Natuurlijk! ‘s Avonds kwamen we één van de rode kruis mensen tegen die ons vroegen wat er met ‘dat oog’ was, vóór wij konden vragen waar hun patiënt bleef, want we hadden hem niet gezien. Hij bleek door één van onze verpleegkundigen (de andere, ze zijn met z’n tweeën) gezien en behandeld te zijn; hij had het niet zó ernstig gevonden dat de patiënt was opgenomen. De volgende dag wachtte ik vergeefs op het afgesproken controlebezoek, en weer een dag later hoorde ik dat de rode kruis-chauffeur had verteld de man in het dorp te hebben zien rondlopen, met twee ogen open.

Aldus is er al in mijn eerste week hier door onze beide verpleegkundigen een wondertje verricht. Het is hier zo slecht nog niet!

HgrJW.

jan 19
Anita vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Wonden

Waar in Nederland de winter dit jaar goed zijn best heeft gedaan om iedereen
van de ijspret te laten genieten, koelt het hier deze tijd van het jaar ‘s
nachts ook flink af. Overdag overstijgt het kwik minimaal boven de dertig
graden maar ‘s avonds wordt het echt wel fris. Hier in Boguila zijn de
huizen van steen en slapen de meeste mensen op een van bamboe gemaakt bed,
wat
toch voor enige isolatie zorgt. Maar de mensen in de ‘bush’ wonen in huizen
van takken en riet en slapen veelal op rieten matten op de grond, zonder
dekens. Om het toch een beetje warm te hebben, maakt men ‘s avonds vaak een
vuurtje.

Terwijl de afdelingen spoedeisende hulp in Nederland overvol waren door de
schaatsongelukken, zijn de gevolgen van vuurtjes tegen de kou hier ook snel
in te denken: we zien steeds meer mensen met brandwonden. Een oudere vrouw
had niet door dat haar rok in de brand stond en is met zeer grote
brandwonden op haar rug en benen opgenomen. En een jong meisje viel met haar
buik in het vuur en is nadat er thuis een mix van as en kruiden op is gedaan
naar het ziekenhuis gekomen. Wat hield ze zich flink toen we de wonden
schoonmaakten! En dan is het verschil met Nederland goed zichtbaar. Geen
brandwondencentrum, minder verfijnde mogelijkheden tot pijnmedicatie, geen
dure zalven en speciale verbandmiddelen. En toch gaat de zorg voor deze
mensen met de toch minimale middelen die we hebben ook goed.

Naast brandwonden zien we mensen met allerlei andere wonden. Doordat veel
kinderen op blote voeten lopen, hebben ze vaak wonden op hun voeten en
onderbenen. De mensen komen meestal te laat naar het ziekenhuis, waardoor de
wonden al erg groot, vies en ontstoken zijn. Bij een vrouw is er door een
traditionele genezer aarde en bladeren op een grote diepe wond gedaan,
waardoor deze nu zeer geïnfecteerd is met wormen aan toe. Zij zal voorlopig
nog wel in het ziekenhuis verblijven.

Door het vuil in de wonden loopt men een verhoogd risico op tetanus. Veel
mensen zijn niet volledig gevaccineerd en zo hebben we de afgelopen weken al
meerdere patiënten met tetanus opgenomen. Volledig verkrampt zullen de
meeste – als ze de eerste dagen overleven-  ook na de behandeling nog wel
verschijnselen houden. Ook een jongen van tien jaar met tetanus is eerst
naar een traditionele genezer gebracht. Daar is door met een scheermes
tientallen sneetjes in zijn lichaam te maken getracht het ‘kwaad’ van de
aanvallen te verdrijven. Na een paar dagen opgenomen te zijn gaat het nu
langzaam wat beter. Om teveel prikkels te voorkomen ligt hij op een donkere
eenpersoonskamer. Toch vindt hij het erg gezellig om wat aanspraak te
hebben, maar als hij maar even om iets moet lachen verkrampt zijn hele
lichaam meteen weer. Zijn wondjes genezen goed, maar ik vraag me af of hij
zonder restverschijnselen het ziekenhuis zal verlaten.

Helaas zullen sommige wonden nooit genezen. De oma die voor haar paar
maanden oude kleinkind moet zorgen omdat al haar kinderen overleden zijn,
terwijl er geen poedermelk te krijgen is. De vader in het dorp die om wat
extra eten vraagt omdat ze elke dag met honger naar bed gaan. En de man die
zijn barende vrouw en de ongeboren baby heeft verloren omdat ze door de
afstand niet op tijd naar het ziekenhuis konden komen. Voor deze mensen
helen de wonden nooit.

Anita

jan 17
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Vluchtverhaal

In de kliniek waren toen ik hier aankwam twee kinderen van omstreeks 9 maanden jong opgenomen wegens ondervoeding. Ze waren er al een zeer dikke week toen ik aankwam en nu dus bijna drie weken, en ze deden het goed. Behandeling van ondervoeding is in het begin moeizaam, maar als ze één keer op gang zijn een lust voor het oog: ze groeiden ruim een ons per dag, en hobbelden vrolijk over en onder de bedden van de kliniek. De moeders, althans zij waarvan we meenden dat het moeders waren wilden naar huis, naar de rest van het gezin. Ze zijn afkomstig uit een piepklein gehuchtje, zo’n kleine 100km naar het noordoosten, tegen de grens met Tsjaad.
Volgens het protocol was het nog wat vroeg om naar huis te gaan, maar de vraag was begrijpelijk, en het ging nu een keer erg goed. Echter: je kan niet echt verwachten dat ze regelmatig ter controle terugkomen over díe enorme afstand. Als er reguliere voedingsondersteuningsprojecten zijn, dan horen daar wekelijks bezoeken aan dorpen bij, en is de controle op de groei makkelijker te organiseren. En bovendien geldt in de hele Centraal Afrikaanse Republiek een beleid dat teams van Artsen zonder Grenzen-Holland niet over de weg mogen reizen na enkele uiterst zorgwekkende incidenten daarbij. Bovendien is de ondervoeding niet zó algemeen dat er een heus project op gezet kan worden. Dus wat nu? Besloten werd om voor twee weken energierijke voeding voor de kinderen mee te geven, en te vragen dan op zijn minst naar de dichtstbijzijnde gezondheidspost te komen voor het vervolg.
Ik suggereerde nog om meer ‘krachtvoer’ mee te geven; de kans dat deze voorraad niet alleen aan onze patiëntjes gegeven gaat worden maar ook aan eventuele hongerige broertjes, zusjes, neefjes of nichtjes is tenslotte aanzienlijk. Ik had gelezen dat in echte ondervoedingprojecten dat ook wel gedaan wordt.
Dat leidde tot de vraag hoe de rest van de gezinnen er uit zag. En dat leidde weer tot erg schijnende verhalen: het ene kindje was bij ons met zijn moeder. Die had aanvankelijk drie kinderen, waarvan dit de jongste is. Toen brak er oorlog uit in Zuid-Tsjaad, waar ze woonden: ze vluchtten hals-over-kop en belandden uiteindelijk, met nog slechts één kindje aan de andere kant van de grens, in de Centraal Afrikaanse Republiek. De andere twee waren overleden: uitputting door het lopen, geen eten of drinken onderweg, malaria, andere ziekte? Wie zal het zeggen. Het andere kindje bleek uit een gezin van 5 kinderen te komen, waarvan toen de verzorgster (niet de moeder, een oudere nicht?) met de baby hen verliet er nog twee anderen over waren. Min of meer hetzelfde verhaal verder.

Wat een wereld… Om niet te zeggen: we live in an unequate world. 

HgrJW.

jan 17
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Eerste week Birao overleefd

En zo is het dan toch eindelijk begonnen. Eigenlijk veel makkelijker dan ik verwachtte: iedereen is lief en geduldig tot nu toe.
Het project waar ik heen ga wordt vanuit twee locaties gedaan: Birao, waar ik eerst heen ging, en nu zit, en Gordil, een nog kleiner plaatsje, wat meer naar het westen, waar ik komende donderdag heen zal. Ik zal tzt afwisselend in beide plekken werken.
Het is een uiterst kleinschalig gebeuren hier, voor zover ik gezien heb. En ik heb nog erg veel niet gezien. Men is hier twee jaar geleden begonnen met ‘mobiele klinieken’: twee jeeps vol mensen en materiaal reden naar afgesproken plaatsen en behandelden daar mensen. Sinds enkele uiterst onaangename incidenten, waarbij zelfs slachtoffers zijn gevallen, gaan de Artsen zonder Grenzen-teams hier niet meer zelf op pad, maar op de plekken waar eerst de mobiele klinieken waren zijn nu ‘perifere klinieken’: er werken 1 of 2 door Artsen zonder Grenzen getrainde gezondheidswerkers die en aantal kwalen, zoals ongecompliceerde malaria, en eenvoudige verwondingen kunnen behandelen, en als het probleem hen boven hun kunnen lijkt te gaan (in de ene kliniek werkt verder opgeleid personeel dan in de andere) verwijzen ze naar Birao. De mensen uit die klinieken komen maandelijks naar Birao voor aanvullende training en uiteraard ook om hun voorraad medicamenten en ander materiaal aan te vullen. Dat heb ik nog niet meegemaakt, en dus heb ik de helft nog niet gezien.
Er draait hier een polikliniek, waar twee verpleegkundigen dagelijks zo’n 80 tot 100 mensen ‘zien’. Ik heb daar nu een aantal maal meegekeken, maar nog niet meegedaan: ik moet nog aan de taal en aan de gewoontes, en vooral aan het gebrek aan hulpmiddelen wennen. Met name de laboratoriumfaciliteiten zijn veel beperkter dan ik me voorgesteld had, en om maar wat te noemen, ook veel beperkter dan in onze eigen praktijk in Beetgumermolen, waar we toch werkelijk geen hightech care bedreven. Maar vooral de taal is moeilijk: er wordt vertaald vanuit een Arabisch dialect naar Gula door een tolk, en vervolgens van het Gula naar Frans door een verpleegkundige of ‘sécourist’, zoals verpleeghulpen genoemd worden. De kans dat daarbij wat mis gaat is dus groot.
Het weer is hier heerlijk: ‘s morgens een graad of 20, in de loop van de dag oplopend naar een eindje boven de 30º, maar erg droog, dus je wordt er meestal niet plakkerig van. Wolkenloze, blauwe lucht. Overdag een klein windje, net genoeg om het lekker te maken, en voor sommige mensen net te veel, om je papieren op tafel te laten liggen. Omdat het momenteel erg droog is zijn er geen of weinig insecten, ook ‘s avonds. Ook dat valt dus reuze mee.
Kortom: een prima begin. Mijn voorganger was een ex-huisarts uit Engeland, zelfs nog ouder dan ik, en hier door iedereen, staf en patiënten, zeer geliefd. Ik weet niet of ik dat kan evenaren. Ik liep dinsdag achter hem aan, woensdag werkte ik zelf en bleef hij voor alle vragen op de achtergrond, en donderdag is hij vertrokken. Een prima overdracht, temeer daar ik gisteren een zeer uitgebreid document op de computer hier vond dat alles nog eens beschrijft. Hij vetrok donderdag; uiteraard blij naar zij gezin te kunnen. Ik moet me nog in van alles verdiepen om te begrijpen wat er nog meer van me verwacht wordt, maar, zoals gezegd: een zeer prima begin. Vanmorgen zelfs mijn gebruikelijke zondagmorgenloopje gehold door het dorp. En aan het ‘ontbijt’ werden we verrast door de kok die een soort omlet had gemaakt: een zondagsontbijt of ik thuis was!
En, maar daarover een andere keer meer: we live in an unequate world!

HgrJW.

jan 15
Maartje vanuit DR Congo.

Cholera

Cholera. Een ziekte die ik tot voor kort alleen maar kende uit mijn tropische geneeskunde boeken, van verhalen en van TV. De eerste cholerapatiënt die aankwam in ons ziekenhuis vond ik best spannend. Een jonge vrouw werd gebracht op een brancard. Totaal uitgeput, uitgedroogd, ze gaf bijna geen reactie meer. Maar de diarree en het overgeven ging maar door. Liters water liepen er uit haar lijf.
Super besmettelijk, welke voorzorgsmaatregelen moeten we nemen? Net als bij mijn allereerste patiënt sta ik eerst even 5 seconden te aarzelen… Daarna handschoenen aan en aan de gang. Eigenlijk niks anders.
Ik duik de cholera-richtlijnen in en gelukkig weet mijn Congolese collega’s van alles over hoe we dit aan gaan pakken. Binnen een paar uur hebben we een goed lopend cholera-centrum bij het ziekenhuis.
De eerste weken bleef het vrij rustig, dagelijks een paar patiënten, en wij vertrokken steeds naar het desbetreffende dorpje om voorlichting te geven en huizen te ontsmetten.
Maar de laatste dagen loopt het aantal steeds meer op. We krijgen steeds meer patiënten uit Mbuhi, een dorpje op dik een half uur lopen van Bukama. We besluiten dat het tijd wordt voor een verkennende missie. Samen met een collega, die expert is in water en sanitair en een van mijn nationale verpleegkundigen ga ik op stap. Ik moet eerlijk toegeven dat ik ook wel blij ben eens een lekker stuk te kunnen lopen, van de dagelijks 5 minuut loopjes tussen de basis en het ziekenhuis knap ik niet erg op.
Op naar Mbuhi, het is een flinke klim, berg op berg af. Onze groep wordt steeds groter, er sluiten zich steeds mee mensen bij ons aan die wel nieuwsgierig zijn naar wat we komen doen. Een mooie gelegenheid om wat meer te weten te komen en tegelijkertijd wat voorlichting te geven.
Uiteindelijk komen we aan in Mbuhi. We spreken met het dorpshoofd en hij laat ons de drie bronnen zien die de dorpsbewoners gebruiken. Het hele dorp loopt mee, over de steile smalle paadjes. Ik moet heel erg uitkijken niet uit te glijden met alle hollende en springende kinderen die allemaal zo dicht mogelijk bij mij willen lopen.
Het water komt uit de bergen dus lijkt schoon. Maar de bronnen komen uit in grote poelen water, een heerlijke plaats voor de cholerabacterie om zich te verspreiden. En dagelijks komen hier tientallen moeders en kinderen water halen…..
Na een klein halfuurtje lopen we weer terug naar Bukama waar de auto ons staat op te wachten. Een hoop informatie rijker maar tegelijkertijd een hoop vraagtekens erbij, wat kunnen we hier doen??
De tientallen patiënten die we inmiddels in het choleracentrum behandeld hebben zijn allemaal weer gezond en wel naar huis gegaan. Maar een epidemie voorkomen is toch echt beter dan genezen….

Maartje

« Oudere posts