dec 29
Addy Geschreven door AddyVanuit Darfur

Feina, eid en Dollar

Vrijdagavond 7 uur, met een brede glimlach op mijn gezicht zit ik op de rug van paard Dollar. Diens eigenaar de Sultan, een wijs en sociaal vooraanstaand man in de community, maar bovenal een uitbundige vrolijkaard, spring naast ons van steen naar steen. De volle maan komt zojuist te voorschijn boven de heuvels aan de horizon en geeft ons voldoende licht om de weg terug te vinden richting onze compound.

Nog geen week geleden kwam ik per helikopter aan in Feina, een klein en eenvoudig dorpje in het berggebied Jebel Mara in Darfur. MSF runt hier sinds een jaar of twee een basisgezondheidscentrum, de enige medische zorg aanwezig in afgelegen en moeilijk toegankelijk gebied. Hier bieden we zorg voor kinderen waaronder vaccinaties en therapeutische voeding, we begeleiden zwangere vrouwen voor, tijden en na de bevalling, we verlenen spoedeisende hulp en momenteel plannen we om ook chirurgische ingrepen te kunnen verrichten.

Bij aankomst in Feina (met toch iets trillende benen… je weet immers bij begin van je project niet helemaal waar je aan begint) word ik direct vriendelijk begroet door mijn nieuwe teamgenoten, die tegelijkertijd voor een aantal maanden mijn huisgenoten, vrienden en surrogaat familie zullen zijn. Ons team, wonende op een ruim opgezette compound, bestaat niet alleen uit expats maar ook uit een aantal inpats, Sudanezen afkomstig uit andere streken. Er wordt me een tukul aangewezen, een ronde hut gemaakt van stenen en een dak van stro, waar ik mijn spullen kan droppen. Een bed (2 matrassen op elkaar wat het meer een soort van vogelnest maakt..), een metalen box en een plastic-tafel-en-stoel vormen het interieur. Aan weerszijden van de 1 meter lage deur is een klein perkje aangelegd met grote rode bloemen in bloei, mijn privé-tuin!

Tijdens de dagen die volgen ontmoet ik de nationale stafleden, vaak niet opgeleide mensen maar met een zeer grote motivatie, die me vol trots hun dagelijkse werkzaamheden tonen. Ook word ik geïntroduceerd aan belangrijke sleutelfiguren in het dorp, volg ik briefings over veiligheid en hoor ik meer over de planning voor ons project.

Maar de dagen staan vooral in het teken van Eid, een van de belangrijkste feesten in Darfur. Eid klinkt toevallig bijna hetzelfde als ‘eet’ en dat is heel toepasselijk. Er wordt met name veel gegeten. Dus zo word ik, samen met de rest van het team, uitgenodigd bij onze laboratorium technicus die een broer is van de Sultan, de dag erna bij onze buren (een internationale ontwikkelingsorganisatie) waar de bewaker een (oom van de) broer van onze schoonmaker is en vervolgens bij de Sultan, waar we weer een van onze stafleden treffen, blijkbaar een aangetrouwde zuster van de gastheer.

Bij elk bezoek worden we welkom geheten door de hele familie (en inderdaad…. die is groot). Dan gaan we zitten op rieten matten met een gammel rieten dak erboven, het mooiste vertrek van de woning. We wassen onze handen met water en zeep. Grote schalen met brood, dadels, kip en geit worden voor ons neergezet en rondom ons heen dartelen de kinderen en nog levende geiten, kippen en ezels. De lokale bevolking vertelt ons met gepaste trots over hun gewoonten, cultuur en taal. Maar ook vertellen ze dat ze ontheemden zijn, verdreven vanuit hun oorspronkelijke woning door geweld, en een groot deel van hun oorspronkelijke bezittingen en vrienden achter zich hebben gelaten. En dat er nog steeds conflicten spelen in hun thuisland waarbij onduidelijk is welke kant het opgaat.

En vandaag, vrijdag, wippen we na het Eid-festijn van de middag, nog even binnen bij de buren van onze gastheer. Een van de vrouwen is 2 weken geleden in ons ziekenhuis bevallen van een gezond zoontje, een prachtkereltje. Familie en vrienden vieren dit kleine wondertje nu met verschillende traditionele dans en zang. Ik word aan de hand meegesleurd en dein mee met de prachtige dames gehuld in kleurrijke doeken. En tegelijkertijd worden vreugdeschoten afgevuurd in de lucht door de mannen in hun witte jurken en tulband…

Nog ondersteboven van alle indrukken zit ik iets later op de rug van Dollar… Morgen is Eid voorbij en begint mijn werk in Feina echt!

Addy

dec 11
Maartje Geschreven door MaartjeVanuit DR Congo

Kalembe

Vandaag ga ik met ons mobiele klinieken team mee naar een van onze gezondheidscentra. Mijn collega die normaal de klinieken bezoekt, is op vakantie, dus ik neem het over vandaag.
We gaan naar Kalembe, een plaatsje waar veel gebeurd is de laatste tijd.
Een uurtje rijden brengt ons naar Kashuga, het laatste dorp voor Kalembe. Een dorp vol met vluchtelingen die in zeer slechte omstandigheden leven. Er is geen schoon water, geen latrines. Ook hier hebben we een gezondheidspost en we ontvangen in het ziekenhuis steeds meer cholerapatiënten uit dit dorp.
We rijden langzaam Kashuga uit, richting Kalembe. Van een dorp vol met bewoners en vluchtelingen komen we nu in een verlaten gebied. Het grensgebied van de ene naar de andere groep is een lege, stille weg waar niemand zich meer op begeeft.
In de verte zie ik Kalembe, hutjes op een glooiende groene heuvelrug. Het uitzicht is prachtig. Maar de realiteit is anders. Kalembe is totaal verlaten. Alle huizen zijn leeg, geen mens te bekennen. Het is een spookdorp, het geeft me kippenvel tot op mijn rug.
We rijden verder de berg op, richting het centrum. En opeens is daar leven. Rondom het centrum zijn tientallen moeders, vaders en kinderen verzameld. Ze zijn uit de omringende bergen gekomen en wachten op Artsen zonder Grenzen.
We laden al onze spullen uit en gaan snel aan het werk. Ik wil me graag concentreren op ons voedingsprogramma. Vele kinderen zijn ondervoed hier, en de lokale staf is nog niet helemaal getraind om deze kinderen te behandelen. Dus vandaag wil ik het samen met ze doen, samen werken, samen leren.
De gang en het grasveld voor het gezondheidscentrum zitten bomvol met moeders en kinderen. Sommigen al met hun kaart -zij zitten al in ons programma- anderen nog zonder kaart en hierheen gebracht in hoop voor hulp. Snel probeer ik alles te organiseren. Het is een totale chaos, iedereen zit door elkaar en ondertussen komen er steeds meer mensen aan nu ze hebben gezien dat onze auto is aangekomen. In een oogopslag zie ik al dat het nooit gaat lukken om alle kinderen te zien.
Ik vraag de lokale staf te beginnen met wegen en meten en ondertussen loop ik door de menigte heen. Ik probeer de meest ernstig zieke kinderen eruit te pikken, voel wie er koorts heeft, wie er oedeem heeft of andere alarmsymptomen. Deze kinderen komen het eerst naar binnen. Met de lokale verpleegkundige onderzoek ik ze. We schrijven antibiotica, vitaminen, vaccinaties en therapeutische voeding voor. Tegelijkertijd doet een verpleeghulp van het centrum de administratie en schrijft de verschillende kinderen in voor ons voedingsprogramma. Hoe snel we ook proberen te werken, de rij wordt alleen maar langer. Na enkele uren komt de projectcoördinator aan om aan te kondigen dat we binnen enkele minuten moeten vertrekken. Ik probeer zo snel als ik kan nu in elk geval alle kinderen te zien die in ons voedingsprogramma zitten om hen weer voeding mee te geven voor de rest van de week. Ondertussen komen vele moeders nu gewoon de kamer binnen zonder dat ze geroepen zijn. Bezorgde moeders, maar met kinderen zonder ernstige klachten. Met een brok in mijn keel stuur ik ze weer naar buiten.
Ik raak ongeduldig met de verpleeghulp die de administratie doet. Hij vertraagt de stroom kinderen omdat hij telkens afgeleid is. Keer op keer vraag ik hem zich alleen te concentreren op de administratie. Ik voel me schuldig als ik zie dat zijn hand trilt. Ik besef me dat hij, net als al deze mensen hier, onder voortdurende spanning leeft, ‘s nachts slapend in de jungle omdat het eigen huis niet veilig is. Maar toch is hij nu hier, afgedaald uit de bergen om te helpen. Logisch dat het moeilijk is om zich te concentreren. Ik vraag me af of ik in staat zou zijn om te werken….
Ondertussen zijn de auto’s al gepakt. We moeten echt weg. Er zijn drie kinderen die ik te ernstig ziek vind om ze in het gezondheidscentrum te laten. Ik wil ze meenemen naar het ziekenhuis, naar ons interne voedingscentrum, waar we ze een infuus en intraveneuze medicijnen kunnen geven. Ik probeer, met behulp van de vertaling van de verpleegkundige, aan hun moeders uit te leggen waarom ik graag wil dat ze mee komen naar het ziekenhuis. Twee moeders weigeren, ze zijn te bang voor het geweld. Ik haal alles uit de kast, probeer ze gerust te stellen (voor zover dat enigszins mogelijk is) en spreek mijn grote bezorgdheid uit.  Ik ben bang om de kinderen te verliezen als ze niet meekomen. Maar de moeders blijven weigeren. Ik kan niets anders doen dan ze achter te laten.
Het andere kindje, zijn moeder en zusje komen wel mee. Zwijgend help ik ze in de auto en zoek dan mijn plaatsje op. We rijden weg uit Kalembe. Een grote menigte achterlatend, wachtend op de volgende nacht die komen gaat.
 
Maartje

dec 3
Maartje Geschreven door MaartjeVanuit DR Congo

Vrouwen

De afgelopen weken heb ik er verschillenden langs zien komen. Oude vrouwen, jonge meisjes, vrouwen van mijn leeftijd. Vrouwen uit de verschillende windrichtingen van dit conflict. Gezichten vol shock, angst, schaamte. Sommige uitdrukkingsloos. Ook ik heb moeite uit te drukken wat dit met mij doet. Ongeloof, onmacht, onbegrip.
Ongeloof omdat ik niet kan begrijpen dat een mens, een man dit een vrouw aan kan doen.
Onmacht omdat dit werkelijkheid is in deze wereld. Een realiteit die mij telkens weer in mijn gezicht slaat en mij sprakeloos doet staan tegenover deze vrouw.
Onbegrip, omdat ik nooit zal kunnen bevatten wat zo een ervaring met een vrouw moet doen.

Het meisje van 14 jaar, verkracht tijdens een plundering van haar dorp.
De zwangere vrouw, verkracht voor de ogen van haar man.
De weduwe, verkracht en vernederd door meerdere mannen uit wraak jegens een familielid, die beschuldigd werd van banden met de andere groep.
En dan mijn leeftijdsgenoot met een schotwond in haar bovenbeen. Zij bood weerstand.

We vangen deze vrouwen op, verzorgen hun wonden en geven hun prikken en pillen om SOA´s en HIV te voorkomen.

Maar sommige wonden helen nooit.

Maartje

dec 3
Maartje Geschreven door MaartjeVanuit DR Congo

Tumaini, 12 maanden, 5,4 kilo

Daar is hij weer. Twee weken geleden ontslagen uit ons voedingscentrum en vandaag weer opgenomen. Opnieuw zwaar vermagerd, een klein verschrompeld mannetje met grote ogen. Zijn moeder kijkt naar de grond, haar handen zwaar hangend langs haar schriele lichaam, verslagen.

Ook wij worden er verdrietig van, weer terug bij af, dit jongetje lijdt.
Maar het is vechten tegen de bierkaai. We sturen de kinderen opgeknapt naar huis, met pakketjes plumpynut (een pinda-puree met hoog calorisch gehalte) als aanvulling op hun normale dieet, om hun achterstand enigszins in te halen.

Maar thuis is er niets te eten. Vaak is er zelfs geen thuis. Mensen gaan terug naar het vluchtelingenkamp of brengen de nacht door in de jungle. Rondom Mweso zijn er tienduizenden vluchtelingen. Zij hebben niets, geen huis, geen land. De bewoners van het dorp bewerken hun stukje van de zeer vruchtbare grond voor voedsel maar vinden hun akker de volgende dag leeggeroofd. De maniok en de groente zijn geoogst door hongerige handen.

De laatste voedseldistributie was hier op 3 september. Bijna twee maanden wachten de mensen nu al op iets om te eten.

Ons voedingscentrum komt steeds voller te liggen met de meest kwetsbare, kinderen die nog niet eens 5 jaar oud zijn.
Nog te jong om iets te begrijpen van wat er om hun heen gebeurt.
Maar al getekend voor het leven.
Als ze het overleven….

Maar wij gaan door. We behandelen de kinderen en proberen door samenwerking met andere organisaties voedsel hier te krijgen.
Als we het vandaag niet kunnen oplossen, misschien morgen….

Maartje