Afgelopen twee dagen loop ik regelmatig langs het deel van de kinderafdeling dat onze ‘therapeutic feeding centre’ heet. Hier liggen zwaar ondervoedden kinderen. We ontvangen dagelijks wel een nieuw kindje. Kinderen van wie je niet meer voor kunt stellen dat ze nog leven. Zó mager, zo kwetsbaar.
Op dit moment ligt er een jongetje van 2 jaar. Hij weegt 6,4 kilo. Hij is dus zwaar ondervoed, heeft mazelen opgelopen en een luchtweg infectie.
Al twee dagen lang vecht hij letterlijk voor zijn leven. Al twee dagen lang loopt hij naar adem te happen. Je ziet zijn ribben, de spieren in zijn nek, zijn neusvleugels op en neer gaan, zoekend naar zuurstof. Ondertussen kijkt hij met grote hulpeloze ogen de wereld in en zwaait af en toe met zijn armen heen en weer, niet meer wetend waar hij het zoeken moet.
Wat voel ik me machteloos als ik naast zijn bed sta en zijn moeder mij met vragende ogen aankijkt. We hebben al verschillende antibiotica geprobeerd maar tot nu toe is hij nog geen centimeter opgeknapt. We vermoeden dat hij waarschijnlijk TB heeft, misschien ook HIV….Wij vechten met medicijnen, maar weet niet of we deze strijd kunnen winnen.
Buiten het hek van het ziekenhuis wordt er helaas met een ander doel gevochten. Vanavond om 6 uur kwam het schieten wel erg dichtbij. We moesten alle patiënten uit de internal medicine ward, een bijgebouwtje bij het ziekenhuis, in allerijl naar binnen in het ziekenhuis brengen. Ondertussen rende ik alle kamers langs om de mensen te vertellen dat ze naar binnen moesten gaan en onder het bed moesten gaan liggen als het nog dichterbij kwam. Binnen de muren van het ziekenhuis wachtten we met z’n allen tot het ophield.
Een van de nationale dokters vroeg mij of dit de eerst keer was dat ik in zulke omstandigheden werkte. De eerste keer beaamde ik. Met een vaderlijke glimlach lachte hij mij toe. Zij waren het gewend. Voor de mensen in Noord-Kivu is het de orde van de dag. Leven tussen geweld.
Na een half uur werd het schieten minder en werd het langzaam weer stil. Dan gaan we maar slapen en hopen dat het rustig blijft.
Maartje