Nadat ik, nu halverwege mijn missie, even wat frisse adem kon opsnuiven in de hoofdstad en de Himalaya, onderging ik de fascinerende terugreis naar het project hier in het Kalikot district. Twee en een halve dag onderweg, wat maakte dat ik langer op pad was dan degenen die me vanuit Nederland op kwamen zoeken, en dus me nogmaals deed realiseren hoe afgelegen de plek is waar ik werk.
Vanuit Kathmandu allereerst met een 20-personen vliegtuigje naar de industriestad in west Terai (laagland van Nepal) op de grens met India. Vandaar viel er een afstand van 166 km af te leggen met een jeep die een gemiddelde bereikte van 13,8 km/uur, wat maakte dat we 12 uur later aankwamen. Of het nu de chinezen,de japanners of de soldaten uit eigen land zijn die allen aan deze ?highway?, zoals die op de kaart met een grote rode streep afgebeeld staat als zijnde een heuse 4-baans snelweg, gewerkt hebben, je begrijpt dat de omstandigheden niet veelbelovend zijn voor een vlotte rit. Toeristen zouden er gemakkelijk voor te strikken zijn, voor zo?n 4-wiel aandrijvingfeestje zoals in de camel trophy reclame van de jaren 80 met kaki pak aan, cowboy hoed op, roden boeren sjaal om de nek en een sigaret nonchalant in de linker mondhoek. Hier en daar dan vast komen te zitten en dan met z?n allen scheppen, een klapband verwisselen, of adem inhoudend je tussen een tegenliggende ?Tata? bus met 30 mensen op het dak en een onheilspellende afgrond manoeuvreren.
Na genoeg zuiver Nepalees stof gehapt te hebben is het overnachten in niets meer dan een nederzetting langs de weg wat 驮 grote modderpoel is met loslopende kippen. Dat scharrelt daar wat rond met om hen heen een grote groep kuikens wat doet vermoeden dat ook onder dit volk niet echt aan ?family planning? wordt gedaan.
Van een paar houten planken en wat kippengaas zijn een aantal hutjes gebouwd die angstvallig tegen elkaar aanleunen in de hoop wat meer steun bij de ander te vinden. Achterom vind ik mijn hotelkamer oftewel mijn ?hok? voor die nacht nadat het me helaas niet is gelukt om een menselijk uitwerpsel te ontwijken. Mijn schoenen laat ik dus maar buiten staan in de hoop dat ik ze de volgende morgen nog zal aantreffen.
Aan de voorzijde van ieder hutje staan vrouwen in sari?s met slapende kinderen op hun rug gebonden, en grote oorbellen en neusringen in, driftig allerlei potten en pannen heen en weer te schuiven op een vuurplaats gemaakt van klei. De hogedrukpan met rijst sist erop los en de meest lekker geuren verspreiden zich als ze 驮 van de deksels optilt. De mannen hangen wat rond, warmen hun handen aan het vuur, roken een pijp, luisteren naar een krakende radio, of voeren allerlei, naar het klinkt, belangrijke discussies. De rijst met linzen smaakt voortreffelijk en ik sta wederom versteld van wat die vrouwen op die vuurtjes weten te bereiden.
De volgende ochtend zie ik in het frisse daglicht dat in de wijde omtrek het bezaaid licht met drollen. Dat 驮 daarvan mijn noodlot werd de avond ervoor was dus geen toevalstreffer. Mijn schoenen stonden er nog, ongedeerd en wel. Dat was maar goed ook, want er moest nog een flinke afstand op gelopen worden die dag.
Vanaf hier is de weg te slecht begaanbaar voor de auto die we hebben, dus werd de benenwagen ingezet voor de laatste 6 uur. Het gaf me tijd om de knop verder om te zetten. Van het drukke Kathmandu terug naar het verscholen en onschuldige Kalikot. Van alle gezelligheid rond kerst terug naar de dagelijkse beslommeringen en acties in het ziekenhuis. Van alle drank, biefstuk en vers brood terug naar de roti, de ?dal bath? en mijn enigszins verwaarloosde groentetuin. Terug naar de mensen die onze hulp hard nodig hebben.
Zo liep ik ver in gedachte verzonken als plots een man met een gipsen poot en een grote snor vanuit zijn plaggenhut langs de weg druk gebarend me deed uitnodigen voor een kop thee bij hem thuis. Het koste me even bedenktijd. Maar natuurlijk, dit was 驮 van de pati뮴en die ik vijf weken geleden had verwezen naar een groter ziekenhuis om zijn gebroken onderbeen en gebroken kaak na een ongeval te behandelen! Kon me nog goed herinneren dat ik zijn snor bij onderzoek van zijn bebloede kaak graag wilde kort knippen voor beter zicht, maar hij dit absoluut niet toestond. Er was in de familie onlangs iemand overleden en daarbij is het kennelijk gebruikelijk je snor lang te laten groeien.
Zo zat ik ineens op een houten vlonder wat dienst doet als bed voor de gehele familie in deze hut, gemaakt van een paar palen, stro en hier en daar een stuk karton aan de kant waar de wind het hardste naar binnen waait. De thee was op dus werd het een kop heerlijke warme melk waarmee ik proostte op zijn gezondheid en gaf hem bij vertrek wat geld in de hoop dat hij zijn controleafspraak in het ziekenhuis na zou komen. De knop was hierbij om. De tweede helft van mijn missie was hier, gehurkt op huisbezoek, weer begonnen.
Renee