Vooruit, na mijn misschien ietwat technische verhaal over het uitroeien van een ziekte die niemand kent (en juist dát is het probleem!) zal ik deze keer wat meer uitweiden over mijn leven in Bangladesh en alles wat daarbij komt kijken. Aldus, een dag uit het leven van…
Na een ontbijtje met huisgemaakte yoghurt (de kok) en brood (ikzelf) vertrek ik zo rond een uur of 8 richting de kliniek. Wat theoretisch een ritje van 5 minuten zou kunnen zijn kost in werkelijkheid minstens 20 minuten. Een maand geleden was het nog een optie (hoewel door de hitte geen enorm aantrekkelijke..) de totale waanzin te ontvluchten door via achteraf weggetjes door de rijstvelden naar de kliniek te lopen, door de vele tropische regenbuien is dat nu vrijwel onmogelijk. Nou ja, als je van modderworstelen, moddervoetballen en modderglijpartijen houdt (zoals de lokale jeugd) dan zou het nog kunnen…maar dat zijn helaas mijn hobby’s niet. Nu sta ik elke ochtend en middag minstens een kwartier vast op het enige kruispunt van het dorp waar álle verkeersdeelnemers besloten hebben dat zíj voorrang verdienen, al geloof ik niet dat iemand dat begrip hier kent. En áls we bewegen moeten er continue kippen, geiten, koeien, kinderen, riksja’s beladen met mensen, boomstammen of zelfs riksja’s beladen met riksja’s ontweken worden. Common sense crisis zoals een van de chauffeurs het zeer toepasselijk heeft benoemd!
Aangekomen in de kliniek kruip ik achter mijn computer en verbaas me elke dag weer over hoeveel er toch gemaild kan worden. Dan is het tijd voor de ochtendvisite waarbij de drie artsen en ik met de verpleegkundigen langs de patiënten gaan en evalueren of de behandeling aanslaat en of er nog bijzonderheden zijn. Patiënten worden behandeld met drie keer een infuus AmBisome, op de dag dat ze worden opgenomen, de volgende ochtend en dan nog eens drie dagen later. De ochtend na het eerste infuus voelen ze zich vrijwel allemaal al een stuk beter, zijn koortsvrij en kunnen thuis wachten op hun derde dosis. Voor mij als arts wordt het vooral interessant als het níet helemaal gaat volgens plan; patiënten die koorts blijven houden, afwijkende lab uitslagen hebben, symptomen die niet bij kala-azar passen.. Omdat de lokale artsen zo gefocust zijn op kala-azar vergeten ze nog wel eens om verder te denken, en vaak ontbreekt hen toch ook aan de kennis of de ervaring met minder vaak voorkomende ziektebeelden. Een van de aspecten van het werk waar ik het meest plezier aan beleef is hen daarin te begeleiden en proberen samen tot een plan te komen, wat over het algemeen goed lukt. Soms wel moeilijk voor mij hoor; mond houden en de ander laten denken (bijna even moeilijk als; iemand anders het laten doen in plaats van denken dat je het zelf sneller kan..), maar ook ik leer hier veel, met name in het kader van superviseren!
De rest van de dag vliegt over het algemeen voorbij… Er moet altijd van alles geregeld worden; het checken van vervaldata van medicijnen in de kliniek, bestellingen plaatsen om voorraden aan te vullen, het voorbereiden van trainingen, notulen van meetings typen en rondsturen en heel veel vragen beantwoorden over data-entry, labuitslagen, protocollen, roosters etc etc.. Kortom; de staf faciliteren zodat zij de kliniek draaiende houden!
Lunchen en dineren doe ik ‘thuis’ met mijn collega-expats, waarbij we zo nodig ons hart kunnen luchten over de frustrerende kleine dagelijkse dingen, ook nodig natuurlijk! Het eten is prima; vooral veel rijst, curries en fruit, en allemaal even lekker. Hoewel onze kok ons ook af en toe iets voorschotelt waarbij we ons afvragen of het daadwerkelijk een lokale specialiteit is of dat hij zijn best doet om voor ons iets ‘westers’ te maken….Gefrituurde komkommer? Pasta met currypoeder? Koude aardappel gedrenkt in olie (patat..)?
In de weekenden gaat iedereen een beetje zijn eigen gang, het is fijn om even tijd voor jezelf te hebben en te ontsnappen aan de drukke buitenwereld. Veel is er ook niet te doen in Fulbaria; rondje lopen over de markt, thee drinken in de tea shop aan de overkant, roti eten in onooglijk doch fantastisch eettentje, en dan houdt het wel op. Een klein uur verderop is een wat grotere stad waar we soms heengaan om te winkelen (stel je daar vooral niet te veel bij voor!), te poolen, een bezoek aan de kapper (en dan heb ik het níet over mijzelf) en uit eten in een ‘echt’ restaurant, meestal chinees. Ik vind het er vooral waanzinnig druk en vermoeiend, dus ik beleef meer plezier aan een andere vaste prik in het weekend… Op vrijdagmiddag worden David, de expat-verpleegkundige, en ik namelijk steevast verwacht in het huis van de lab-supervisor wiens vrouw sinds het begin van het project elke vrijdag de expats fêteert en indien gewenst van kookles voorziet. In ons geval; heel graag dus! Veel leuker dan eten in een ge-aircondicioned chinees restaurant is het zittend op een krukje in een lemen keuken aanschouwen hoe op een houtvuur met 34 ingrediënten een of andere heerlijke curry in elkaar gedraaid wordt. En om die vervolgens op te eten!
Alweer een maand aan het werk, en meer tijd achter de computer doorgebracht dan ooit tevoren. Als ik lees hoe mijn collega’s in Zuid-Sudan noodhulp verlenen aan tienduizenden vluchtelingen en daar op een hele concrete manier verschil maken tussen leven dood zakt de moed mij hier af en toe wel eens in de schoenen. Met het behandelen van gemiddeld 40 kala azar patiënten per maand voelt het niet altijd alsof ik hier daadwerkelijk een verschil maak, hoewel ik me ook wel besef dat mede dóór onze aanwezigheid de aantallen patiënten zijn afgenomen. Inmiddels zijn er in de omgeving nog zo’n vier andere NGO’s en overheidsorganisaties die kala azar patiënten behandelen in het kader van verschillende onderzoeken, wat me soms doet afvragen wat onze toegevoegde waarde hier nog is. Maar juist dat is natuurlijk onderdeel van onze doelstelling; uiteindelijk de bestrijding van deze ziekte over kunnen laten aan anderen!
Het is een groot verschil met hoe het hier er hier een paar jaar geleden aan toe ging. Toen Artsen zonder Grenzen hier twee jaar geleden startte was er géén fatsoenlijke behandeling voor kala azar in de wijde omgeving te verkrijgen, en wist de lokale bevolking nauwelijks dat de ziekte bestond. Door de aanwezigheid van onze kliniek, en met name door de activiteiten van het mobiele team dat patiënten opspoort en voorlichting geeft is die situatie volledig veranderd. Ten eerste heeft de goede samenwerking met andere organisaties en de overheid geleid tot een enorme toename aan aandacht voor deze ‘vergeten’ tropische ziekte waardoor patiënten nu én worden behandeld, én er onderzoek gedaan wordt naar de beste behandeling. Artsen zonder Grenzen is nu dus een van de vele actoren in plaats van de enige, en dat is een overwinning. Ook het feit dat we steeds minder patiënten zien is een uiting van succes. Het mobiele team heeft de omringende dorpen volledig uitgekamd, en het lijkt er op dat er echt steeds minder nieuwe gevallen zijn. Bovendien zijn mensen veel beter op de hoogte van de symptomen van de ziekte en vinden steeds meer hun eigen weg naar de gezondheidszorg.