KEBEMMMM… Onze ervaren piloot, vloeiend in Swahili door jaren vliegen in Centraal-Afrika, heeft ons al drie keer veilig op de grond gezet, bij de tussenlandingen voordat we onze bestemming bereiken. Deze vierde keer gaat het er flink wat ruiger aan toe, maar we zijn er. Ons nieuwe thuis. Bili. Iedereen is ietwat zenuwachtig. De vorige keer stonden er in een mum van tijd honderden mensen op de piste. Maanden hadden ze geen vliegtuig gezien en het verkennende rondje van de piloot had iedereen genoeg tijd gegeven om zich op de landingsbaan te verzamelen. Het laatste vliegtuig had de oude missionaris madame Liv meegenomen naar haar geboorteland om nooit meer terug te keren. Naast de horde mensen, had de piloot de vorige keer moeite gehad om weg te komen; de autoriteiten hadden hem een veel te hoge rekening gegeven voor het landen op de landingsbaan.
We stappen uit. Tientallen motoren komen aangescheurd, ze hopen wat geld te verdienen door onze spullen te vervoeren. Overal kinderen, de school is net uit. Handen worden geschud, grappen gemaakt. Iedereen doet zijn best om ons een welkom gevoel te geven. De piloot is snel klaar en rijdt richting het einde van de landingsbaan. Dit is het gevaarlijkste moment: de kinderen zien het vliegtuig wegrijden en denken dat ze de landingsbaan weer als weg kunnen gebruiken, of als oefenbaan voor hun salto’s. Maar het vliegtuig komt terug, met een noodgang. Gelukkig zijn onze logistieke teamgenoten hiervan op de hoogte en samen houden we iedereen van de landingsbaan. Het vliegtuig vertrekt en de ambulance komt aangereden: uitgerukt om onze spullen naar het ‘hotel’ te brengen. Terwijl de motoren langzaam afdruipen, stapelen wij alles in de ambulance: gedemonteerde fietsen, kist met verfrollers, machetes en spijkers, de EHBO koffer. De dokter en ik moeten voorin in en even voelen we ons als de koningin in de gouden koets als we door de zwaaiende menigte worden vervoerd. Gelukkig hobbelen we al snel de landingsbaan af en begint de jungle: takken in m’n gezicht en een hobbelige afdaling. Onze chauffeur is ook de laborant, vertelt hij. Ik hoop dat zijn kwaliteiten met de koppeling geen afspiegeling zijn van zijn competenties met pipetten.
De drie daagse visite verloopt goed. De community health workers kennen de slaapziekte en herinneren zich het Artsen zonder Grenzen team van vier jaar geleden. Ze zijn gemotiveerd om de boodschap aan de bevolking over te brengen dat iedereen weer moet worden getest omdat mensen de slaapziekte kunnen hebben opgelopen in de tussentijd. Terwijl de project coördinator praat, vraag ik me af hoeveel mensen er in die vier jaar dat we hier niet waren, zullen zijn besmet met de slaapziekte, of zelfs overleden omdat er geen mogelijkheid tot testen of behandeling was. Om veiligheidsredenen moesten we halsoverkop vertrekken na een paar maanden, de training van het lokale personeel was nog niet eens echt gestart dus ze konden de activiteiten niet voortzetten.
Zowel de bedden en de apotheek in het ziekenhuis zijn leeg. Het personeel krijgt niet betaald door de overheid en ook de aanvoer van medicijnen verloopt zachtgezegd niet soepel. Het personeel probeert geld te verdienen via de patiënten. De bedragen die ze vragen zijn echter veel te hoog voor de lokale bevolking, dus blijft het ziekenhuis leeg. En zodoende heeft de lokale bevolking geen toegang tot gezondheidszorg. Wij komen in principe alleen voor slaapziekte, wat ietwat vreemd voelt: er zijn nog zoveel andere ziektes waar mensen aan lijden hier. Daarom zullen we in ieder geval ook noodgevallen behandelen en daarna ‘afleveren’ aan het ziekenhuis, al dan niet met de benodigde medicatie.
Het logistieke team dat we mee hebben genomen gaat meteen aan de slag om onze basis leefbaar te maken: per kamer wordt een twee meter hoge vleermuizenpoepberg weggehaald. De vroegere biechtkamer wordt ons nieuwe bureau. Ik stof Maria af en geef haar een plekje in mijn kamer. Bamboehekken worden geplaatst, advertenties voor verpleegkundigen, chauffeurs, schoonmakers en laboranten opgehangen. De koelste kamer wordt toegewezen voor de medische opslag, plannen voor een buitendouche onder de sterrenhemel worden gemaakt. Iedereen heeft er zin in. Bili, here we come!


Zo kwam ik afgelopen week op de polikliniek Arnal tegen. Hij is ‘ruim een jaar’ volgens zijn moeder, en zij is de enige die het weten kan. Een nauwkeuriger aanduiding kan ze niet geven. Hij kwam naar de polikliniek omdat hij wat diarree had en vermagerde. Hoe lang? Zo’n week of twee, dacht moeder. Ik dacht het niet: als je ruim een jaar bent, en slechts 5kg weegt, is er langer dan twee weken iets mis. Krijgt hij nog borstvoeding? Nee, natuurlijk niet! Moeder keek me verwijtend aan: ze was weer zwanger en borstvoeding is slecht voor de zwangerschap. Dat weet toch iedereen? (Domme westerse dokters weten dat niet, maar vérder weet iedereen dat.) Daarom was ze ook met de borstvoeding gestopt toen haar man vroeg of ze niet weer zwanger wilde worden. Die conceptie was gelukt: minstens 6 maanden geleden. Dus deed Arnal het al meer dan 6 maanden zonder moedermelk. Daar hier geen andere melk is, zoals bij ons in Nederland, heb je dan een probleem, als zuigeling zijnde. En dat probleem moet dus begonnen zijn toen hij ongeveer een half jaar was.
Het wordt min of meer familie. Ik las eens, geen idee meer waar, de definitie: ‘Familie, dat zijn mensen die op bezoek komen, maar geen vrienden zijn.’ Dat wil zeggen, je zoekt ze niet uit. Het kúnnen best aardige mensen zijn, en zelfs vrienden worden, maar ze zijn familie voordat er een andere relatie is. Zo gaat dat ook hier: je wordt min of meer in een project geparachuteerd, en dan heb je het maar met elkaar te doen.
Na onze prachttocht met akelige avonturen ben ik een poosje in Bangui, gebleven, maar het was de bedoeling om na die reis niet terug te keren naar Gordil, maar om naar Maitikoulou te gaan, om de dokter die daar in haar eentje werkt bij te staan, en ik daar had werkelijk reuze zin in: alleen al om medische redenen is het daar een enorme uitdaging. Daarnaast: dát is het échte MSF! Ik ben nu alweer bijna drie weken in Maitikoulou.
Overweldigend is het enige woord dat ik ervoor heb om het te beschrijven. Je weet dat van de slaapziektepatiënten zonder hun behandeling zeker 100% zal overlijden, en van de ondervoede kindjes waarschijnlijk zeer velen. Het zijn beide zeer moeizame behandelingen, en de omstandigheden waaronder die hier plaats hebben zijn grotendeels erbarmelijk: overvolle tenten. Toen dit startte had niemand verwacht dat we er nu, in het begin van de regentijd, nog zouden zijn. Dus was de waterdichtheid van de tenten toen niet belangrijk. Nu wel, en ze zijn lek als een mandje! Dus wordt er met man en macht (letterlijk) gewerkt aan noodoplossingen. Maar de situatie blijft voor mijn Europese ogen erbarmelijk. 
Een grote verrassing zijn voor mij een soort torentjes. Op de plaats waar de ene dag een plas was staan de volgende dag merkwaardige grijs-witte torentjes. Ik vroeg die ‘iedereen die het weten kan’ wat dat voor torentjes zijn, maar kreeg geen bevredigend antwoord. ‘Óch díe’, zei de wacht die ik het vroeg en achteloos verpulverde hij er een paar. Ze zijn wat papier- of kalkachtig, dus dat verpulveren is gebeurd voor je er erg in hebt. ‘Nooit op gelet’, zei een ander. Je kan ze niet eten, en voor de meeste mensen is het dan niet interessant.
Maar een ander gevolg is dat allerlei beestjes die anders in holletjes zitten daar nu nattigheid voelen en naar buiten komen. Zo hadden we gisterenavond twee onverwachte en geheel onuitgenodigde gasten.