jun 4
Froukje vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Onze nieuwe thuis: Bili!

KEBEMMMM… Onze ervaren piloot, vloeiend in Swahili door jaren vliegen in Centraal-Afrika, heeft ons al drie keer veilig op de grond gezet, bij de tussenlandingen voordat we onze bestemming bereiken. Deze vierde keer gaat het er flink wat ruiger aan toe, maar we zijn er. Ons nieuwe thuis. Bili. Iedereen is ietwat zenuwachtig. De vorige keer stonden er in een mum van tijd honderden mensen op de piste. Maanden hadden ze geen vliegtuig gezien en het verkennende rondje van de piloot had iedereen genoeg tijd gegeven om zich op de landingsbaan te verzamelen. Het laatste vliegtuig had de oude missionaris madame Liv meegenomen naar haar geboorteland om nooit meer terug te keren. Naast de horde mensen, had de piloot de vorige keer moeite gehad om weg te komen; de autoriteiten hadden hem een veel te hoge rekening gegeven voor het landen op de landingsbaan.

We stappen uit. Tientallen motoren komen aangescheurd, ze hopen wat geld te verdienen door onze spullen te vervoeren. Overal kinderen, de school is net uit. Handen worden geschud, grappen gemaakt. Iedereen doet zijn best om ons een welkom gevoel te geven. De piloot is snel klaar en rijdt richting het einde van de landingsbaan. Dit is het gevaarlijkste moment: de kinderen zien het vliegtuig wegrijden en denken dat ze de landingsbaan weer als weg kunnen gebruiken, of als oefenbaan voor hun salto’s. Maar het vliegtuig komt terug, met een noodgang. Gelukkig zijn onze logistieke teamgenoten hiervan op de hoogte en samen houden we iedereen van de landingsbaan. Het vliegtuig vertrekt en de ambulance komt aangereden: uitgerukt om onze spullen naar het ‘hotel’ te brengen. Terwijl de motoren langzaam afdruipen, stapelen wij alles in de ambulance: gedemonteerde fietsen, kist met verfrollers, machetes en spijkers, de EHBO koffer. De dokter en ik moeten voorin in en even voelen we ons als de koningin in de gouden koets als we door de zwaaiende menigte worden vervoerd. Gelukkig hobbelen we al snel de landingsbaan af en begint de jungle: takken in m’n gezicht en een hobbelige afdaling. Onze chauffeur is ook de laborant, vertelt hij. Ik hoop dat zijn kwaliteiten met de koppeling geen afspiegeling zijn van zijn competenties met pipetten.

De drie daagse visite verloopt goed. De community health workers kennen de slaapziekte en herinneren zich het Artsen zonder Grenzen team van vier jaar geleden. Ze zijn gemotiveerd om de boodschap aan de bevolking over te brengen dat iedereen weer moet worden getest omdat mensen de slaapziekte kunnen hebben opgelopen in de tussentijd. Terwijl de project coördinator praat, vraag ik me af hoeveel mensen er in die vier jaar dat we hier niet waren, zullen zijn besmet met de slaapziekte, of zelfs overleden omdat er geen mogelijkheid tot testen of behandeling was. Om veiligheidsredenen moesten we halsoverkop vertrekken na een paar maanden, de training van het lokale personeel was nog niet eens echt gestart dus ze konden de activiteiten niet voortzetten.

Zowel de bedden en de apotheek in het ziekenhuis zijn leeg. Het personeel krijgt niet betaald door de overheid en ook de aanvoer van medicijnen verloopt zachtgezegd niet soepel. Het personeel probeert geld te verdienen via de patiënten. De bedragen die ze vragen zijn echter veel te hoog voor de lokale bevolking, dus blijft het ziekenhuis leeg. En zodoende heeft de lokale bevolking geen toegang tot gezondheidszorg. Wij komen in principe alleen voor slaapziekte, wat ietwat vreemd voelt: er zijn nog zoveel andere ziektes waar mensen aan lijden hier. Daarom zullen we in ieder geval ook noodgevallen behandelen en daarna ‘afleveren’ aan het ziekenhuis, al dan niet met de benodigde medicatie.

Het logistieke team dat we mee hebben genomen gaat meteen aan de slag om onze basis leefbaar te maken: per kamer wordt een twee meter hoge vleermuizenpoepberg weggehaald. De vroegere biechtkamer wordt ons nieuwe bureau. Ik stof Maria af en geef haar een plekje in mijn kamer. Bamboehekken worden geplaatst, advertenties voor verpleegkundigen, chauffeurs, schoonmakers en laboranten opgehangen. De koelste kamer wordt toegewezen voor de medische opslag, plannen voor een buitendouche onder de sterrenhemel worden gemaakt. Iedereen heeft er zin in. Bili, here we come!

 

jun 29
Patricia vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

VVF-kamp

Lachend loopt Hélène, 44 jaar, onze auto’s tegemoet zodra we het terrein oprijden. Ze heeft de verloskundige Denise die ik meegebracht heb herkend. We zijn net aangekomen in Paoua, waar we nacontrole-afspraken hebben gepland met patiënten die geopereerd zijn voor een fistel.

In januari heeft Denise zich ingezet tijdens een VVF-kamp. Een operatieteam dat enkele weken lang vrouwen opereert, die lijden aan onvrijwillig urineverlies, wat vaak wordt veroorzaakt door een langdurige, gecompliceerde bevalling. In de regio waar ik nu werk bevallen veel vrouwen nog altijd thuis met een traditionele vroedvrouw die nauwelijks of helemaal niet geschoold is, met alle gevolgen van dien.

Hélène heeft sinds haar eerste bevalling zo’n 20 jaar geleden last van ongewild urineverlies. Het was een gecompliceerde bevalling en nadat ze eindelijk in het ziekenhuis was aangekomen bevalt ze helaas van een overleden baby. In de daaropvolgende jaren bevalt ze nog 2 keer en van deze 2 kinderen is er nog 1 in leven.

20 jaar lang heeft het ongewild urineverlies het leven van Hélène bepaald. Ze kwam niet meer buiten, deed niet meer mee aan sociale evenementen. De kerk ging ze niet meer naar toe. Mensen lopen weg van de geur van urine die ze met zich meedraagt, haar man heeft haar verlaten. Ze woonde sinds het vertrek van haar man bij haar ouders en sinds die zijn overleden woont ze bij haar zus in.

Vorig jaar hoorde ze van een behandeling die artsen zonder grenzen gratis uitvoert voor vrouwen die lijden aan fistels. Het was de zoon van haar zus die haar hierover vertelde en Hélène besloot te gaan informeren. Ze werd door het team chirurgen van Artsen zonder Grenzen geopereerd en vandaag komt ze op nacontrole.

Haar vrolijke gezicht straalt. Ze is enorm blij. Sinds de operatie heeft ze geen urine meer verloren. Ze komt weer buiten en heeft weer contact met mensen om haar heen. De operatie heeft haar haar levenslust teruggegeven en dat straalt er vanaf.

Jaarlijks worden in Boguila een dorp in de Centraal Afrikaanse Republiek vrouwen geopereerd die lijden aan een fistel. Afgelopen jaar zijn 49 vrouwen geopereerd. Door het doen van de na-controles komen we te weten hoe het onze patiënten is vergaan sinds de operatie, uiteraard om liefst te horen dat ze controle hebben gekregen over het urineverlies. Dit is gelukkig meestal het geval.

jun 28
Patricia vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Prudence

‘Genoeg gedaan voor vandaag’ denk ik wanneer ik zaterdag om half 6 de maternity wil verlaten. De dag zit erop. Nog even kijk ik of er geen bijzonderheden zijn. Ik vind een verloskundige in de verloskamer. Ze onderzoekt de 16 jarige Biona Prudence die zwanger is van haar eerste kindje. Het ziet ernaar uit dat haar bevalling voorspoedig gaat verlopen. Ze krijgt net wat sterkere weeën na de hele dag wat voor weeen te hebben gehad. Stiekem heeft ze zichzelf naar de 7 cm ontsluiting gewerkt met wat leek ‘lichte weeën’. Ik vertrouw erop dat de laatste 3 centimeter ontsluiting zonder problemen zullen verlopen en dat ze binnen een paar uur knus met een kind in de armen in de kraamkamer zal zijn.

Ik bedenk dat het misschien wel een mooie bevalling is voor de verpleegkundige expat collega. Ze heeft zich vóór mijn aankomst in het project over de maternity ontfermd omdat er toen nog geen verloskundige was. Ze was enorm blij toen ik aankwam. Voor een verpleegkundige met minimale verloskunde ervaring is het toch een hele opgaaf om een team verloskundigen bij te staan in hun werk. Ze hoopte ook dat ik haar wat kon trainen in de verloskunde, want je weet maar nooit, ze kan opnieuw ingezet worden in een project waar geen verloskundige expat is. Ik check met de Prudence of ze het prima vindt dat er een extra verpleegkundige assisteert bij de bevalling en ze gaat akkoord.

Ik licht mijn collega in en ze is razend enthousiast. De vorige keer dat ze een bevalling bijwoonde hebben we samen een pasgeborene moeten reanimeren. Hopelijk wordt het deze keer een wat minder spannende bevalling. We spreken af dat ik haar oproep wanneer Prudence 9 centimeter ontsluiting heeft, zodat ik haar kan voorbereiden op de bevalling en nog wat praktische tips kan geven tussendoor.

Geheel volgens plan heeft Prudence 2 uur later 9 centimeter ontsluiting en ik roep mijn collega op. Ze is over een paar dagen ‘einde missie’. De vermoeidheid van de afgelopen maanden en de drukte van de overdracht naar haar opvolgster die pas is gearriveerd, hebben redelijk impact. Ze is moe, maar heeft toch wel zin in de bevalling. Het afwachten is een moment waarin het moeilijk volhouden is maar ‘het zal wel gemakkelijker volhouden zijn zodra er wat actie komt’ geeft ze aan.
Ook voor de laatste cm neemt onze patiënte een uur de tijd. En dan komt de actie. Tijdens de controle van de hartslag merken we dat deze een beetje begint te vertragen. Ik probeer de hartslag wat langer te volgen, maar de Prudence lijkt dit niet erg prettig te vinden. Ze begint wat onrustig te woelen en geheel onverwacht schiet ze vervolgens ook nog eens in een wat lijkt epileptisch insult die bijna een minuut aanhoudt. Het kan een signaal zijn van een zwangerschapsvergiftiging die gepaard gaat met een hoge bloeddruk, dus ik check zo snel mogelijk de bloeddruk die tot op dat moment geen reden van onrust gaf en ook nu normaal is.
Gelukkig is per toeval onze dokter in het ziekenhuis voor een andere patiënt, dus die is vrij snel aanwezig in de verloskamer om ons te assisteren. Inmiddels is de Prudence gekalmeerd en stabiel. Omdat de hartslag van de baby nog niet helemaal hersteld is, besluiten we Prudence zelf wat extra zuurstof te geven. ‘Zuurstof geven’ betekent hier dat je een zuurstofapparaat ‘vrij moet maken’, die moet van de intensive-care komen. Dit betekent dat andere patiënten mogelijk even geen extra zuurstof krijgen of een ander zuurstofapparaat moeten delen.

Met een zuurstofkapje op gaat Prudence verder met de weeën. Ze heeft nog geen volledige ontsluiting, dus er is niks wat we kunnen doen. We proberen de feiten tegen elkaar af te wegen. Met de weinige en primitieve middelen die we tot onze beschikking hebben is het misschien niet zo handig om een keizersnede uit te voeren nu. Wachten op vordering van de ontsluiting betekent dat de dame ‘wie weet voor hoe lang nog’ in de gegeven risicovolle staat zal zijn. We missen duidelijk een gynaecoloog + anesthesioloog op dit moment, maar met de verenigde kennis en ervaring van mijzelf en de expat arts besluiten we dat het verstandig is hoe dan ook het OK-team op te roepen en Prudence voor te bereiden op een keizersnede. Dit geeft ons enige tijd om te zien of ze in de gegeven tijd de benodigde 10 cm ontsluiting zal bereiken zodat we een pompverlossing kunnen proberen. Dit heeft als voordeel dat we de bevalling sneller kunnen beëindigen, dat we Prudence niet hoeven te opereren in haar toch al risicovolle staat en dat ze voor de volgende zwangerschappen niet het risico heeft van een litteken in haar baarmoeder, wat in dit land nog altijd kan leiden tot foetale en maternale sterfte.

We brengen de Prudence en de materialen in gereedheid. We besluiten de pompverlossing in de OK uit te voeren, want mocht deze niet lukken dan kunnen we met zo min mogelijk vertraging de keizersnede uitvoeren.
Eenmaal aangekomen op de OK krijgt Prudence opnieuw een insult. Eenmaal weer gekalmeerd luisteren we naar de hartslag van het kindje en wederom reageert het met vertraging van zijn hartslag. We leggen de Prudence op de operatietafel en ik probeer haar te onderzoeken om te zien of ze al 10 centimeter ontsloten is. Dit is gelukkig het geval. We besluiten om nu maar zo snel mogelijk het kindje te halen. Ik sluit de vacuümpomp aan en de lokale verloskundige pompt het vacuüm tot de gewenste druk. Dat betekent hier pompen, net als met een handpomp voor een voetbal of fietsband. Gelukkig ligt het kindje er gunstig voor en hebben we binnen een paar minuten een blakend gezond kind en een volledig versufte Prudence.

Mijn collega verpleegkundige vindt het genoeg voor vandaag en besluit niet te wachten totdat de moederkoek geboren wordt. Helaas voor het team laat deze ook nog rustig een uur op zich wachten en omdat een spontane geboorte uitblijft moet ik hem manueel verwijderen.

Een dag later bezoek ik Prudence en haar baby in onze maternity. Ze ziet er stralend uit. Met de verloskundige als tolk probeer ik te achterhalen of ze ooit eerder epileptische aanvallen gehad heeft. Dit lijkt niet het geval. Ik vraag haar of ze ons kan vertellen wat er de vorige avond gebeurd is. Ze weet het niet precies. Ze bevestigt dat ze weet dat ze een insult gehad heeft, maar wat er daarna gebeurd is, is een beetje langs haar heen gegaan. We vragen haar of ze weet waar ze bevallen is en ze zegt dat ze zich herinnert dat ze naar de keuken gebracht werd. De keuken is vlakbij de operatiekamer. De verloskundige en ik moeten lachen bij het idee van haar bevalling in een keuken en leggen haar uit wat er precies gebeurd is. Ze weet niet dat ze in de operatiekamer opnieuw een insult gehad heeft. Ook het feit dat we haar kind via een pompverlossing geboren hebben laten worden is haar compleet ontgaan. We drukken haar tenslotte nog stevig op het hart dat ze nooit thuis mag bevallen, omdat ze deze keer enorm geluk heeft gehad dat ze er zelf nog is en ook dat haar kindje gezond is, puur vanwege het feit dat ze bij ons in het ziekenhuis was voor haar bevalling.

jul 3
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

EU-melk

We hebben hier melk. Dat is na ruim een half jaar melkpoeder met water een hele luxe. Natuurlijk, in Bangui hadden we melk. Daar heb je alles. Maar in Vakaga hadden we geen melk. In Maitikoulou waren een paar pakken melk aangekomen, tegelijk met mij, maar die waren snel op. En dan is er weer melkpoeder. Daar gaat echt ook wel mee, ik klaag niet, maar het is toch iets anders. Echter, hier in Markounda, hebben ze steeds melk. Een andere log, die andere ‘food-orders’ doet, en dan heb je melk.

Die pakken komen overduidelijk uit Europa. Ze zijn van Duitse komaf, maar de opdruk is in tien talen. En daarbij viel me het verschil in benadering door de verschillende talen op: Frans: Lait demi-écrémé. Duits: H-fettarme Milch. Engels: Semi-skimmed milk. Het Grieks, Zweeds en Fins kan ik niet lezen. Ik ben niet goed in Spaans (Leche semidesnatada), Italiaans (Latte parzialmente scremato), en Portugees (Leite meio-gordo). Maar het is allemaal, als ik het erg vrij vertaal: half-(ont)vette = ‘half-lege melk’.
En dan het Nederlands: Halfvolle melk!

Dat doet me denken aan de bekende vraag: is een glas half vol of half leeg? Ik nijg ertoe half vol een optimistischer kijk op een glas te vinden dan half leeg. Als een taal een weergave van een cultuur is, zegt dat pak melk dan iets over de culturen van de verschillende taalgebieden in Europa?

Ik ben bijna aan het eind van mijn avontuur hier: nog drie dagen en ik vlieg naar Bangui, en weer drie dagen daarna ben ik op Schiphol, en een paar uur later in Beetgumermolen! Ik ben veel meer dan halfvol met gedachten, impressies, gevoelens. Niet overvol, maar wel erg vol: wat vond en vind ik hiervan. Wat vind ik van Artsen zonder Grenzen? Bracht dit mij wat ik ervan verwachtte? Wat verwachtte ik eigenlijk?

Als alles volgens plan blijft lopen, hetgeen binnen MSF zelden het geval is, heb ik Vakaga uitgebreid gezien en beleefd, ben ik bijna drie weken in Maitikoulou geweest en bijna drie weken in Markounda, en ik kan ook nog heel even in Boguila kijken.
Maitikoulou was verreweg het indrukwekkendst: dát is het MSF van mijn fantasie. Ik was wat getroebleerd door de malaria, dus mogelijk is mijn blik erop niet echt betrouwbaar. Maar het was indrukwekkend en geweldig!

En nu mijmer ik naar aanleiding van een pak melk over culturen. Hoe anders leeft en beleeft men hier dan bij ons! Maar wat is ‘hier’? Vakaga en Ouham (de provincie waarin Markounda en Maitikoulou liggen) zijn zó verschillend! En wat is eigenlijk ‘bij ons’? Cultuurverschillen blijven me boeien: we leven uiteraard niet alleen in  een ‘unequate’, maar zeker ook in een zeer ‘unequal’ wereld.

HgrJW.

jun 29
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Ondervoeding

Waar het hart vol van is, loopt het toetsenbord van over. Ik had het al een paar maal eerder over ondervoeding, maar ik blijf me erover opwinden. Ik denk, omdat het zo’n volledig door ons mensen veroorzaakte, relatief simpel te voorkómen, ziekte is.

Ik praat nu even niet over ‘echte’ hongersnood door oorlog, droogte of overstromingen. Ook dat is iets om je boos over te maken, want ook dat is grotendeels ‘man-made’.

We zitten momenteel in de ‘hunger-gap’: de tijd van het jaar, aan het begin van het regelseizoen, dat er al wel gezaaid wordt, maar nog niet geoogst kan worden. Men leeft op de laatste restjes van vorig jaar. De vraag is of dat genoeg is om het uit te zingen tot de volgende oogst. Zeker niet voor ieder gezin, want soms zit het tegen: minder oogst, minder inkomen, meer kinderen dan gedacht (of helemaal niet gedacht), en dan kom je nu in de problemen. Ook dat is ‘man-made’: met betere planning is dit grotendeels te voorkomen.

En dan zijn er de individuele honger gevallen. Dát zijn de gevallen waar ik het het moeilijkst mee heb.

Zo kwam ik afgelopen week op de polikliniek Arnal tegen. Hij is ‘ruim een jaar’ volgens zijn moeder, en zij is de enige die het weten kan. Een nauwkeuriger aanduiding kan ze niet geven. Hij kwam naar de polikliniek omdat hij wat diarree had en vermagerde. Hoe lang? Zo’n week of twee, dacht moeder. Ik dacht het niet: als je ruim een jaar bent, en slechts 5kg weegt, is er langer dan twee weken iets mis. Krijgt hij nog borstvoeding? Nee, natuurlijk niet! Moeder keek me verwijtend aan: ze was weer zwanger en borstvoeding is slecht voor de zwangerschap. Dat weet toch iedereen? (Domme westerse dokters weten dat niet, maar vérder weet iedereen dat.) Daarom was ze ook met de borstvoeding gestopt toen haar man vroeg of ze niet weer zwanger wilde worden. Die conceptie was gelukt: minstens 6 maanden geleden. Dus deed Arnal het al meer dan 6 maanden zonder moedermelk. Daar hier geen andere melk is, zoals bij ons in Nederland, heb je dan een probleem, als zuigeling zijnde. En dat probleem moet dus begonnen zijn toen hij ongeveer een half jaar was.

Men eet hier als gezin gezamenlijk: een pan met eten (meestal ‘la boule’ van maniok met een saus met, indien aanwezig, wat groente en vlees of vis.) in het midden, iedereen zit eromheen eet naar behoefte. Of naar vermogen. Grote mensen hebben grote handen en kunnen dus veel eten. Wat oudere kinderen hebben kleine handjes, maar hebben wel honger, en weten wat ze te doen staat: graaien wat je graaien kan.

Maar hoe eet een kindje van een half jaar? Dat kliedert en speelt. En dan is opeens alles op. Nou ja, dan speelt het kindje gewoon met de lege pot, en likt de laatste restjes op. Niet genoeg om te groeien, maar kennelijk in Arnal’s geval ook niet weinig genoeg om dood te gaan. En daar dat niet-groeien in het begin niet op valt, en je er later aan went, wordt het geaccepteerd: deze vorm van ondervoeding wordt niet als ziekte herkend!

Arme Arnal. Werkelijk, je moeder bedoelde het goed, zowel voor jou als voor je komend jongere broertje of zusje. Ze kan alleen niet tellen, zeker niet rekenen, en heeft geen idee van tijd en hygiëne, en nog minder van biologie. Je moet ijzersterk geweest zijn, omdat je er nog steeds bent. We doen nu met z’n allen ons best voor je. Maar véél kans heb je niet…

HgrJW.

jun 28
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Gemeenschap van goederen

Langzaam maar zeker verander ik een beetje, merk ik. Dat komt door de manier van leven als expats hier: een klein groepje dat in vreemde omgeving emotionele dingen beleeft, erg dicht op elkaar, met geen tot bijna geen privacy. Doordat je min of meer samen slaapt (hier in Markounda samen buiten op de veranda), eet, de douche en latrines deelt, en alle verhalen alleen aan elkaar kwijt kan. Ik beschreef het al eerder vanuit Gordil (20 februari): je wordt erg close in deze setting.

Buiten slapen in MarkoundaHet wordt min of meer familie. Ik las eens, geen idee meer waar, de definitie: ‘Familie, dat zijn mensen die op bezoek komen, maar geen vrienden zijn.’ Dat wil zeggen, je zoekt ze niet uit. Het kúnnen best aardige mensen zijn, en zelfs vrienden worden, maar ze zijn familie voordat er een andere relatie is. Zo gaat dat ook hier: je wordt min of meer in een project geparachuteerd, en dan heb je het maar met elkaar te doen.

Ik merk mijn verandering aan kleinigheden. Ik was er thuis aan gewend mijn eigen kleren te hebben, en die niet met anderen te delen. Toen ik in Berlijn mijn eerste twee MSF-T-shirts kreeg was ik best wel trots op ze. Maar ik raakte eerst de ene, en daarna de andere kwijt: ze worden gewassen samen met alle anderen, en eindigen op een grote stapel. En iedereen zoekt daar bij tijd en wijle het zijne uit. Maar aangezien het allemaal witte t-shirtjes met min of meer dezelfde opdruk zijn, heb je al snel een ‘verkeerde’. Inmiddels heb ik me daarbij neergelegd, zoek uit de stapel naar behoefte een shirt met korte of lange mouwen, liefst niet al te klein, en vraag me niet eens meer af wiens shirtje ik aan heb. We leven in gemeenschap van t-shirts.

Het gaat echter verder: ik kwam hier aan met een naar mijn gevoel voldoende aantal onderbroeken. Ook die moeten in de was af en toe. Maar dát zijn geen standaard wit met rood MSF-embleem broekjes, dus het zou mogelijk moeten zijn daarvan je eigen exemplaren terug te vinden. Helaas: geleidelijk aan raakte ik steeds meer van ‘mijn’ broekjes kwijt, tot ik er begin deze week nog maar één over had: degene die ik aan had. Ik zocht twee dagen in de stapel schone was zonder resultaat. En geheel tegen mijn gewoonte in, nóg een dag. En toen vroeg ik Tobi, de andere mannelijke expat hier in Markounda, beschroomd of ik mogelijk één van zijn onderbroeken mocht gaan gebruiken. Er waren maandag twee mensen vanuit Markounda naar Bangui vertrokken, zeer waarschijnlijk had één daarvan, ongetwijfeld per ongeluk, mijn één na laatste onderbroek meegenomen. Tobi had geen probleem, dus leven nu ook in gemeenschap van onderbroeken. En voor mijn gevoel gaat dat toch wel ver.

Maar het gaat nóg verder: zoals ik op een gegeven moment in Gordil mijn tube tandpasta kwijt was, zo miste Tobi gisteren de zijne. Die kan niet weg zijn natuurlijk. Ik vond later de mijne weer terug onder in mijn tas. Maar sinds gisteren leven we nu ook al in gemeenschap van tandpasta! En dat is toch wel héél intiem, vind ik.

Gelukkig heb ik het tot nu toe steeds goed met mijn MSF-familie getroffen. 

HgrJW.

jun 22
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Statistiek

Het heeft mijn liefde niet. In tegendeel. Maar ik besef het belang ervan. Het principe is simpel: als je niemand vertelt wat je doet zal niemand weten wat je gedaan hebt, en dus zal niemand weten wat je nodig hebt om door te gaan met wat je doet, en dus zal je de noodzakelijke middelen niet krijgen en dus zal je moeten stoppen met wat je doet. Hóe belangrijk dat ook mag zijn.

En hoe vertel je mensen in de buitenwereld wat je doet? Door te tellen, en die cijfertjes op te schrijven. Buitengewoon simpel. Een voorbeeld: afgelopen vrijdag: aantal patiënten gezien op polikliniek: 67, opgenomen in de kliniek: 6, ontslagen: 5. En dat niet alleen voor vrijdag, maar voor de hele week (iets uitgebreider, geef ik toe: aantal verschillende diagnoses en leeftijd erbij), en dat voor alles wat je doet: ook voor de moeder-en-kindzorg, en consultatiebureau-achtige acitiviteiten inclusief vaccinaties, en al die andere dingen die gedaan worden.

Hoe dieper je erin duikt, hoe leuker het wordt, want dan krijg je de individuele gevallen weer voor de geest. Ik vind het veel leuker klinken als ik vertel: vrijdag waren er op de polikliniek 67 patiënten, daarvan waren er 41 jonger dan 5 jaar (onze doelgroep.) We vonden 31 patiënten met malaria (waarvan 24 jonger dan 5.) Van die 31hadden er 27 buikpijn, en daarvan 20 ook diarree. Maar ook hoestten er 6, en ze klaagden bijna allemaal over pijn overal. Daarnaast waren er nog 14 patiënten gewoon verkouden, hadden er 10 spierpijn (het landbouwseizoen is begonnen nu het regent: zwaar lichamelijk werk!), en 6 mensen kwamen wegens kiespijn. We vonden 2 kinderen ernstig ondervoed (1 met en 1 zonder malaria), en er was er nog één met een longontsteking. Die drie namen we op in onze kliniek, en daarnaast waren er van de andere malaria-kindjes ook nog drie die zó heftig braakten dat ze hun pillen niet konden binnenhouden en dus injecties moesten krijgen, en ook anderszins bewaking nodig hadden omdat ze dreigden uit te drogen, dus we hadden 6 opnames, allemaal jonger dan 5. De andere 61 kregen medicijnen en werden dus poliklinisch behandeld. Voorts werden er ook patiënten ontslagen uit de kliniek: een volwassen man na uitdroging door diarree, een moeder met kind na bevalling zonder probleem donderdagmorgen, en een ondervoed kindje was ver genoeg aangesterkt om verder poliklinisch gevolgd en (met Plumpynut) begeleid te worden. En jongetje van anderhalf ging genezend naar huis na een longontsteking, en ook nog een meisje van 8 met een ontstoken wond na een hondenbeet, die nu weer veel beter ging. De laatste twee met pillen mee om thuis de kuur af te maken. (Zouden ze dat doen? Je weet het nooit…)

De opsomming in het eerste voorbeeld is lang zo leuk niet. Maar wel statistiek.

Ik ben veel liever met een direct patiëntencontact bezig ben op de polikliniek of in de kliniek, dan dat ik eindeloos cijfertjes zit te breien. Bij mij lukt het nooit de eerste keer het aantal positieve malariatesten gelijk te krijgen aan het aantal gediagnosticeerde malariagevallen, om maar eens iets te noemen: ik kan niet (op)tellen.

Maar ik heb vandaag mijn statistiek-dag: de cijfertjes over afgelopen week worden in de computer gestopt. En daarna moet ik er een rapportje over maken, en dat opsturen.

Ik eet me vandaag door de wekelijkse cijfertjesrijstebrijberg. Geen smakelijk eten.

HgrJW. 

jun 12
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Malaria in Maitikoulou

Na onze prachttocht met akelige avonturen ben ik een poosje in Bangui, gebleven, maar het was de bedoeling om na die reis niet terug te keren naar Gordil, maar om naar Maitikoulou te gaan, om de dokter die daar in haar eentje werkt bij te staan, en ik daar had werkelijk reuze zin in: alleen al om medische redenen is het daar een enorme uitdaging. Daarnaast: dát is het échte MSF! Ik ben nu alweer bijna drie weken in Maitikoulou.

 Het project in Maitikoulou startte als ‘HAT-camp’. HAT = Human African Trypanosomiasis = slaapziekte. Het is een besmetting met een door de tse-tse vlieg overgebrachte parasiet waar je na kortere of langere tijd aan dood gaat. Al geruime tijd ‘runt’ MSF een ziekenhuis in Markounda, en daar kwamen zó regelmatig patiënten met slaapziekte uit een wat verder naar het oosten gelegen streek, dat men daar een kijkje ging nemen toen de veiligheidssituatie dat toe ging laten. Dat was in december. En toen werd besloten daar, in Maitikoulou, een tijdelijk bij-project te doen, om de aanwezige slaapziektepatiënten te behandelen. En op grond van wat men gezien en gehoord had, schatte men toen dat dat een klus van een maand of twee zou zijn. Ze zijn begin januari hier gestart.  Sindsdien is het project voortdurend uit zijn voegen blijven barsten. Toen de mensen door kregen dat er werkelijk behandeld werd, durfden er steeds meer uit hun schuilplaats in de brousse tevoorschijn komen, en meldden zich steeds meer mensen aan voor behandeling. Niet alleen slaapziekte, maar ook ‘gewone’ gezondheidsproblemen: malaria, huidinfecties, malaria, luchtweginfecties, malaria, diarree, malaria, en opvallend veel ondervoeding, en daarnaast natuurlijk ook nog malaria. Voortdurend werden er meer patiënten opgenomen dan er plaats was. Toen ik kwam waren er 75 patiënten en was er plaats voor 50. Ongeveer de helft ondervoede kindjes.  Dit was geheel in tegenstelling tot wat ik in Gordil en ook in Birao meemaakte. Overweldigend is het enige woord dat ik ervoor heb om het te beschrijven. Je weet dat van de slaapziektepatiënten zonder hun behandeling zeker 100% zal overlijden, en van de ondervoede kindjes waarschijnlijk zeer velen. Het zijn beide zeer moeizame behandelingen, en de omstandigheden waaronder die hier plaats hebben zijn grotendeels erbarmelijk: overvolle tenten. Toen dit startte had niemand verwacht dat we er nu, in het begin van de regentijd, nog zouden zijn. Dus was de waterdichtheid van de tenten toen niet belangrijk. Nu wel, en ze zijn lek als een mandje! Dus wordt er met man en macht (letterlijk) gewerkt aan noodoplossingen. Maar de situatie blijft voor mijn Europese ogen erbarmelijk.  Hoewel ik dus met groot enthousiasme hierheen kwam overviel me na een paar dagen een soort wanhopigheid en het gevoel het allemaal niet meer aan te kunnen, dat ik weliswaar passend vond voor deze omgeving, maar niet van mezelf ken. Allerlei andere dingen zijn hier ook wat primitiever: de vrachtauto die niet alleen een volgende tent voor patiënten, brandstof voor de koelkasten (erg belangrijk: vaccins!), andere bouwmaterialen, maar ook eten voor ons zou brengen raakte eerst kapot, en vervolgens vast in de modder. We hadden een poosje wat weinig te eten, dus verbaasde ik me ook al niet over een gek bibbergevoel in mijn benen; ik herkende dat van de periode dat ik ernstig aan het vermageren was.  Gisteren voelde ik me nóg krakkemikkiger dan gewoonlijk, en was ik tussen de middag even gaan liggen. De dokter die hier vóór mijn komst als enige arts was, trof me zo aan, zei dat ik koorts had, en beval me mijn temperatuur te meten, hetgeen ik protesterend deed. Ze had gelijk: koorts! Malariatest gedaan: positief! Pillen en in bed blijven.  Ik was vooral vreselijk en onredelijk kwaad. Ik kom hier om te werken en niet om in bed te liggen! Bovendien slik ik al maanden erg trouw mijn anti-malaria-pillen, slaap stug onder een klamboe, ben als enige zo gek om ‘s avonds sokken en een t-shirt met lange mouwen aan te doen, en bespuit me uitgebreid met anti-muggenspul, geheel conform de richtlijnen. Maar mijn collega en mijn lijf lieten me niet veel keus.  ‘t Zijn wonderpillen! Vannacht voor het eerst niet van die gekke dromen, en vanmorgen voor het eerst niet dat wanhoop-gevoel. Heerlijk! En ik ben weer een ervaring rijker.  HgrJW.

jun 10
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Toeristische route 2

Hebt U zich ooit afgevraagd hoe het zou voelen als er op je geschoten wordt? Ik vraag me dat al erg lang af, met name als ik politie-films op de TV zie. Je ziet dan mensen net doen of het gewoon is als ze op je schieten, en daarna gewoon verder gaan met waar ze mee bezig waren. ‘Kan dat in het echt?’ vroeg ik me af.

Wel, ik verkeer nu in de positie dat ik erover kan meepraten. En om de spanning er maar meteen uit te halen: ik weet het nog steeds niet. Je merkt er namelijk niets van, althans zolang ze je niet raken. En dat hebben ze gelukkig niet gedaan.

Ik schreef over onze prachtige tocht, van noord naar zuid, dwars door de CAR. Het was vermoeiend, maar prachtig. Dat blijf ik vinden. Maar helemaal in het begin gebeurden er onaangenaamheden die je niet wilt meemaken.

Wat niemand wist toen we vertrokken, was dat er niet ‘een paar’ maar duizenden koeien van nomaden in het natuurpark nabij Gordil liepen. Die koeien worden bewaakt, en die bewakers hadden al eerder problemen met de kampwachten, want er mogen geen koeien in het park grazen: dat is voor antilopen, olifanten en leeuwen. Het park wordt bewaakt door Ecofac, een door de Europese Unie gesteunde organisatie. Kennelijk wist ook Ecofac niet dat er zó veel koeien met hun bewakers in het park waren. We hadden ze namelijk gevraagd of het veilig genoeg was, zoals allerlei andere instanties, zowel van officiële regeringszijde als van rebellenbewegingen op de hoogte waren van onze tocht, en allen hadden gezegd geen bezwaar te hebben, en geen problemen te verwachten.

Toen we nog maar vrij kort door het bos reden, werden we gestopt doordat we schoten hoorden. Wij hadden onze veilgheidsvoorschriften goed in het hoofd geprent, en wisten wat we moesten doen: meteen stoppen, chauffeur handen op het stuur houden en bijrijder handen op het dashboard, geen plotse bewegingen maken en niet opzichtig naar buiten kijken. De chauffeur van de eerste auto, Saleh, spreekt Arabisch, en kon uitleggen wie we waren en wat  kwamen doen. Oh, MSF. Geen probleem, rijdt U maar verder. Dus dat deden we.

Echter, toen de eerste auto een hoek om kwam hebben ze niet eerst eens even gekeken wie daar in zat, maar meteen geschoten. Gelukkig miste de schutter zowel de chauffeur als de voorband van de eerste auto, waar hij, gezien de twee kogelgaten, duidelijk op mikte. En even gelukkig reageerde Saleh, heel adequaat, bleef eerst zitten, en toen hem gesommeerd werd uit te stappen, stak hij zijn handen hoog in de lucht, en riep in het Arabisch dat wij geen Ecofac waren, maar MSF. Dat viel mee. Of we soms sigaretten hadden. Ze kregen twee pakjes. Ze wensten ons goede reis verder, en dat was het dan.

Als je in de tweede auto zit, hoor je alleen de schoten, maar ik wist niet wat er echt gebeurde. Ik dacht dat dit hun manier was om om sigaretten te vragen, want we konden Saleh die pakjes naar het struikgewas zien gooien.

We werden nog eens gestopt, weer door het geluid van schoten. Deze meneer had hoofd- en buikpijn en vroeg om medicijnen. Zo had ik ook nog wat te doen. Maar echt rustig zit je niet naar pillen te zoeken in de EHBO-koffer als er een geweer op je gericht is, kan ik U zeggen. En pas bij die gelegenheid, toen we de EHBO-koffer weer aan het opbergen waren, werden mij het kogelgaten in de voorruit van de eerste auto gewezen, en toen schrok ik dus pas echt.

Ik ben die schrik nog (lang) niet te boven. Die komt nu pas eigenlijk. Want in het begin voel je helemaal niets, of hooguit verbazing. Wat merkwaardig dat je in zo’n situatie gewoon blijft doorfunctioneren. Ik begrijp het nog steeds niet.

HgrJW.

mei 13
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Toeristische route 1

Mogelijk herinnert U zich mijn stukje van 18 februari nog: ik verzuchtte dat ik zo graag wat meer zou rondrijden, maar dat dat niet kon omdat MSF zo ‘akelig’ voorzichting is. Dat begreep en begrijp ik, maar die politiek van niet-bewegen is erg slecht voor ons project, en voor de zorg die we gaven geweest. Sinds enige tijd leek het veiliger, en mocht er weer héél af en toe gereden worden. Ik beschreef dat in mijn stukje van 2 april. We leerden ervan dat er véél niet klopt in het werk dat die arme eenzame secouristes in de verderop gelegen dorpen doen. Ze doen hun best, daar ben ik zeer van overtuigd, maar ze missen ernstig ondersteuning en supervisie.

Er reed een ploeg van ‘ons’ per auto van Birao naar Gordil, toen onze activiteiten in Birao definitief afgesloten waren: de auto’s moesten daar niet achterblijven en mochten rijden. Er deden zich geen incidenten voor. Maar toen hadden we twee auto’s te veel in Gordil. Die staan in de weg, kunnen elders nuttiger gebruikt worden, en zijn bovendien aantrekkelijk voor eventuele dieven of ander gespuis. Dus die moesten we kwijt. Afgelopen week zouden we daarom met twee auto’s van Gordil naar Bangui, de hoofdstad, rijden. Omstreeks 1000km, van noord naar zuid, dwars door de hele Centraal Afrikaanse Republiek. Een pracht tocht. Ik verheugde me er erg op.

Het was ook een pracht tocht. Al waren er wat ongemakkelijkheden. We reden met twee auto’s, ik zat in de tweede. En daar de wegen onverhard zijn (afgezien van de laatste 100km), en bestaan uit rood gruis, waarvan de eerste auto het stof doet opwarrelen, zaten wij stof op te vangen. En het is warm, dus je transpireert, en rood stof op een vochtige huid levert na een paar uur een onaangename rood-bruine korst over je kleren en je huid (ook onder je T-shirt, maar vooral op je hoofd en gezicht en je armen en handen) op. Dat belemmert het genieten aanzienlijk, kan ik zeggen.

Maar als je na afloop onder een douche staat, zelfs al is die niet warm, en je bent de verbazing over het feit dat het water dat van je af stroomt bruin is te boven, en dat bruine water is na een poosje doorspoelen (en wat shampoo) ook weer gewoon doorzichtig kleurloos geworden, dat weet je wel echt wat genieten is.

De kwaliteit van de weg liet, met name de eerste dag, zeer te wensen over: ik bewonder de Toyota Landcruisers, maar vooral ook onze chauffeurs zeer. We hebben de 4-wiel-aandrijving herhaaldelijk nodig gehad, en soms was het meer zwemmen door de modder dan rijden wat we deden. Ik ben ook de tel kwijt geraakt van het aantal lekke banden dat we gehad hebben. Beide auto’s hadden twee reseve-wielen met band, en we hadden los daarvan nog eens twee losse banden. Ze zijn allemaal gebruikt, en we hadden geen enkele goede band meer toen we uiteindelijk aankwamen.

Het aardige van een tocht van noord naar zuid is dat je begint in woestijnachtig gebied (Vakaga), en uit komt in tropisch regenwoud met echte woudreuzen vlak voor Bangui. Je ziet het landschap, maar ook de mensen die er wonen langzaam veranderen. Van geheel geen huizen en dorpjes onderweg in het noorden, tot regelmatig dorpjes met markten in het zuiden

Kortom: een pracht tocht, al zou ik het als toeristisch tripje toch niet helemaal aanbevelen.

HgrJW.

mei 1
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Hoofdpijn

Hoofdpijn is erg vervelend. Je kan het van allerlei zaken krijgen; de meeste zijn in Nederland ook bekend: vooral zorgen en vermoeidheid, en vooral als de één de ander aan de gang houdt. Maar er zijn ook verschillen: alcohol wordt hier nauwelijks gebruikt, en gerookt wordt er ook al heel erg weinig. Het eerste omdat het hier islamitisch gebied is, en het tweede omdat men hier voor tabak te arm schijnt te zijn. Maar hier zijn andere zaken die in Nederland weer ongebruikelijk zijn: malaria, bijvoorbeeld. En malaria, om niet te vergeten. En dan nog malaria natuurlijk, want de ene malaria is de andere niet.

Men behandelt pijn hier met scarificaties. Ik kan daar veel en akelige plaatjes van laten zien, maar dat heb ik al gedaan, dus dat hoeft niet meer. Niet veel volwassenen hebben een voorhoofd of slapen zonder littekens.

Maar een andere vorm van behandeling bestaat uit ‘gris-gris’. Dat zijn een soort zakjes, meestal van leer, maar soms ook van een soort papier, die je aan een koord om je hals of je middel of je arm draagt als het gaat om ‘algemene bescherming’ tegen gevaren zoals kogels, ziektes, of ander ongemak. Maar ook ‘plaatselijke behandeling’ is mogelijk: een goede gris-gris om je middel helpt reuze tegen de honger, zeggen ze. Helaas niet tegen ondervoeding.

Er was een mevrouw opgenomen met meningitis. Ze deed het voortreffelijk, vonden wij: na een dag of drie-vier kon ze weer zitten en begon ze weer te praten. De duizeligheid nam sterk af en de doofheid waar ze eerst over klaagde ook. Ze is nu, na tien dagen, zover dat ze ons niet meer nodig heeft: nog een poos ‘rustig-aan’ zeiden we.

Maar voor een vrouw is dát hier volledig illusoir: alle werk wordt hier door vrouwen gedaan: werken op het land, water halen, wassen, koken, alles. En dat meestal met een kind op de rug. Mannen besteden hun dagen hier voornamelijk aan voor hun huis onder een boom te zitten (indien aanwezig) en al-dan-niet diepzinnig  praten met andere mannen. En aan af en toe een kind verwekken. En als ze daarmee klaar zijn en omdat ze niets beters te doen hebben: oorlog voeren. Daarom is dit zo’n godvergeten stuk land, denk ik. Maar daarover mogelijk later meer.

Eén van de problemen na meningitis is dat je snel moe bent, en nog lang slapjes. Als je daaraan niet toegeeft krijg je heel vervelend hoofdpijn. Maar dáárop had de liefhebbende echtgenoot iets gevonden. Een gris-gris! Hij was er speciaal voor naar de Marabou gegaan, die had wijs geknikt en een speciaal mengseltje ingepakt en aan hem gegeven.

Zo. Die kan dus gewoon naar huis en aan het werk, dacht hij…

We live in an unequate world. Vooral vrouwen en meisjes hier. (Nog veel meer dan in Nederland.)

HgrJW.

apr 17
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Wegvliegen, uitwuiven

Gisteren ben ik weer eens naar het vliegveld geweest. Carlos ging terug naar Bangui, Edith kwam terug van vakantie. Een rechte en betrekkelijk vlakke gruisweg, een paal met een windzak, en een afdakje waaronder je in de schaduw kan zitten als ‘wachtruimte’. Daarmee is ‘Gordil International Airport’ geheel beschreven.

Het vliegtuig is meestal later dan de planning, maar via de radio kan je dat tevoren horen. En vlak voor ze landen roepen ze ons op om te vragen of het waait, en uit welke richting, en hoe de landingsbaan erbij ligt. Als we met de auto aankomen moeten we om dat te controleren die landingsbaan op en neer rijden. De chauffeurs vinden dat een extra pleziertje: de enige keer dat ze harder dan 40km/h mogen. Deze keer leken er stenen op de baan te liggen, dus daar stopten we even, maar waarschijnlijk had een passerende antiloop wat keutels achtergelaten. Voor geiten- of ezelmest was het te groot, en loslopende paarden zijn hier niet.

Het toestel doet me altijd een beetje aan de duiven denken die ik vroeger had: niet echt elegant, een beetje mollig zelfs, maar reuze praktische vogels, en ze vliegen als de besten.

Nu ik hier wat langer zit zijn de piloten en meestal ook de passagiers bekenden, dus is het altijd een vrolijk moment als de deur open gaat. Ook spannend wat ze voor ons bij zich hebben: vers fruit? Kaas? Margarine (want dat is bijna op)? Ander broodbeleg? Er moet natuurlijk ook zakelijke bagage uit- en ingeladen worden. Hoogst gemoedelijk staan we in een rijtje tussen de landcruiser en het vliegtuig dozen door te geven. En dan is het alweer afscheid nemen geblazen.

Deur dicht. Motoren starten. Het duurt altijd lang voordat het toestel daarna weg begint te rijden. Het rijdt dan tot helemaal aan het eind (of begin) van de landingsbaan die nu dus startbaan is, staat weer even stil, en dan gaan de motoren echt hard brommen, neemt het een aanloop en vliegt op.

Dat is voor mijn gevoel altijd een ‘moment van onomkeerbaarheid’: zíj vliegen weg, en ik blijf achter. Tot de volgende vlucht is er nu geen weg meer hier uit: je kan niet meer weg.
Niet dat dat erg is, in tegendeel. Ik heb het hier reuze naar mijn zin. Maar het idee dat je niet weg kan als je zou willen is op dat moment zo heel erg overduidelijk.

Kijk, daar gaat hij.

HgrJW.

apr 16
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Torentjes

Het regent hier, áls het regent, ook niet kinderachtig: enorme plensbuien met onweer en bliksem en windvlagen, die een half tot een heel uur aan houden. Na afloop voelt het als een badkamer waar de douche te lang heeft aangestaan. En om eerlijk te zijn: zo ziet het er ook een beetje uit: overal grote plassen.

Verderop in het regenseizoen schijnt heel Vakaga te veranderen in een zompig moeras, maar voorlopig drogen in één tot twee dagen de plassen wel weer op. We zijn nog maar helemaal aan het begin van de regen, zegt iedereen die het weten kan.

In ieder geval zie ik hier en daar de droge grijze zandbak al zachtjes groen kleuren: de eerste grassprietjes en kiemblaadjes steken hun puntjes boven de grond. Dat ziet er vrolijk uit.

Een grote verrassing zijn voor mij een soort torentjes. Op de plaats waar de ene dag een plas was staan de volgende dag merkwaardige grijs-witte torentjes. Ik vroeg die ‘iedereen die het weten kan’ wat dat voor torentjes zijn, maar kreeg geen bevredigend antwoord. ‘Óch díe’, zei de wacht die ik het vroeg en achteloos verpulverde hij er een paar. Ze zijn wat papier- of kalkachtig, dus dat verpulveren is gebeurd voor je er erg in hebt. ‘Nooit op gelet’, zei een ander. Je kan ze niet eten, en voor de meeste mensen is het dan niet interessant.

Ze zullen door insecten gebouwd worden denk ik. Termieten? Daarvan zijn er hier veel, en die knagen hard aan alles wat gebouwd is, en zorgen ervoor dat alles hier ook maar tijdelijk staat. Maar een echte termietenheuvel is groter, en heeft gangetjes, en dat hebben deze torentjes niet. Aanvankelijk dacht ik dat ze niet eens hol waren, maar als je ze vlak bij de grond afbreekt zit er wel een holte in. En nog veel gekker is dat, als je dan een uurtje later nog eens kijkt, dat gaatje weer dicht is. Nog steeds zonder dat ik de bouwers gezien heb.

Wie het weet mag het zeggen. Ik hou me aanbevolen. De wereld is niet alleen unequate, maar ook verrassend en mooi hier. Ook in het kleine.

HgrJW.

apr 16
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

Avondgasten

Het regent nu regelmatig. Het schijnt dat de regentijd is begonnen. Dat heeft een aantal gevolgen, maar vooral dat het nu vochtiger wordt. De muggen hebben dat kennelijk ook ontdekt, en we zien weer meer malaria. Althans dat denk ik, maar de aantallen zijn nog te klein om er statistisch verantwoord iets van te zeggen.

Maar een ander gevolg is dat allerlei beestjes die anders in holletjes zitten daar nu nattigheid voelen en naar buiten komen. Zo hadden we gisterenavond twee onverwachte en geheel onuitgenodigde gasten.

De eerste werd door Marionette, onze poes, ontdekt. Dat merkten wij weer omdat ze anders dan anders bewoog. Anders, als ze een prooi ziet, zoals een muis of een kikker, dan sluipt ze rond en maakt opeens een sprint en een sprong. Maar nu, terwijl we bijna klaar waren met ons avondeten,  bleef ze maar sluipen, en heen en weer lopen en dan weer sluipen. Marcellin keek eens naar beneden, meende eerst dat er een rat was, en schrok zich toen een hoedje, want het bleek een schorpioen te zijn. Niet eens een hele kleine: ik was er wel eens een tegen gekomen in de latrine van ongeveer 1½cm, maar deze was behoorlijk indrukwekkender: zo’n 5cm. Ik haalde vlug mijn camera, en Marcellin haalde de wacht, die beleefd wachtte tot ik mijn plaatje gemaakt had vóór hij het dier onschadelijk maakte.

We zaten daarna nog in het kantoor wat naar de e-mail te kijken, en hadden hulp nodig van Carlos, die tijdelijk onze log is, zodat we die riepen. Hij zei dat hij kwam en gaf daarna een uitroep die maakte dat we eigenlijk dachten dat hij een grapje maakte. Maar dat deed hij niet, verzekerde hij. Dus ik pakte weer de camera en Marcellin ging weer de wacht halen. Dit was een nog grotere, een zwarte, de eerste een bruine. De wacht vertelde dat de bruine agressiever zijn en sneller aanvallen, maar als ze bijten/prikken, dan ben je met de zwarte zuurder dan met de bruine.

Gelukkig deden geen van beide iets, en ze zullen het niet meer doen ook. Maar hoe je moet voorkómen dat je in het pikkedonker een donkerbruin of zwart kruipend monster niet ziet zou ik niet weten…

HgrJW.

apr 15
Jan Willem vanuit Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR).

R&R

U hebt al twee weken niets van me gehoord. Dat komt doordat ik ernstig ontregeld was door mijn ‘R&R’. Die afkorting staat voor ‘rest & recreation’: MSF-projecten plegen zich af te spelen in een omgeving die je op zijn minst als ‘gespannen’ kan benoemen, en dat schijnt aan je te vreten. Mensen slapen wat onrustig, worden na een poosje moe en prikkelbaar en gaan ruzie maken over allerlei kleinigheden: niet goed voor je project, en zeker ook niet voor de mensen waarvoor je daar eigenlijk bent, de patiënten/cliënten/doelgroep. Dus is de regel ingesteld dat je eens in de zoveel tijd uit je project gehaald wordt, en naar de hoofdstad gebracht wordt, waar je dan verplicht moet ontspannen: zitten, rondlopen, niksen, indien aanwezig in een zwembad liggen, indien om veiligheidsredenen toegestaan tochtjes in de omgeving maken, etc.

Mijn hele werkzame leven heb ik al een wat  problematische verhouding tot vakanties gehad: als je werk je hobby is heb je er geen last, maar plezier van, en is een vakantie een hinderlijke onderbreking. Daarnaast geven de voorbereiding van je afwezigheid, en vooral het wegwerken van de achterstand na afloop zóveel extra werk dat ik die zelden op vond wegen tegen het plezier van ‘er even uit’ zijn.

Maar nu zit ik hier als werknemer in een lijnorganisatie met een projectcoördinator die zich aan de regels houdt, en R&R is verplicht, dus ging ik.

Er zijn waarschijnlijk in andere landen hoofdsteden waar het goed toeven is, maar Bangui, de hoofdstad van de CAR, heeft niet zo veel te bieden: het is er even warm als in Vakaga, maar een stuk vochtiger. Er is een ‘Grand café’ waar ze croissants en pain au chococlat serveren die een beetje lijken op die in Parijs; maar de koffie smaakt er toch Afrikaanser dan daar. Er is een ‘Club Rock’ aan de rivier de Oubangui, een zijarm van de Congo-rivier, met een mooi uitzicht en een zwembad, en er zijn een paar restaurants. Het eten was er best eetbaar, vond ik, maar de aanwezigheid van prostituees, aangetrokken door de rijke buitenlanders, want dan is er vaak wel wat te verdienen, vond ik erg hinderlijk. Er zijn markten waar je souvenirs kan kopen, en je camera kan laten stelen en je zakken kan laten rollen; die laatste twee gebeurtenissen heb ik al van meerdere collega’s gehoord; vooral de markt ‘CP5′ heeft de beste souvenirs én de beste zakkenrollers, zegt men; die combinatie zal wel geen toeval zijn. Voorts kan je op het kantoor van MSF breedband-internet genieten, en dus wat uitgebreider met thuis communiceren.

Enfin, ik ben dus op R&R geweest. Vier hele dagen niet in Gordil. Ik had het één en ander te bespreken op het kantoor in de hoofdstad, en dat liet zich mooi combineren met de genietingen van internet. Skype (telefoon via internet) is werkelijk een geweldige uitvinding; ik ben weer helemaal bijgepraat met de familie.

Ik heb een dagje door de stad geslenterd en winkels en een markt bekeken (niet CP5). Mijn zakken zijn niet gerold, mijn camera heb ik nog, mijn schoenen zijn gerepareerd, en de gekochte ananassen waren veel te duur, want ik kan niet afdingen, maar heerlijk.

Het was de bedoeling om met een aantal mede-R&R-ers ook een dagtocht naar een mooie waterval te maken. Maar de genietingen van de grote stad bleken voor enkelen van ons, waaronder voor mij, althans voor mijn ingewanden teveel van het goede. ‘Turista’ heet dat: waarschijnlijk een rotavirus-infectie, die heftig braken en diarrhee geeft. Iedereen die wat langere reizen maakt kent het; ik was kennelijk aan de beurt. Geen watervallen en geen zwembad dus. Gewoon de badkamer.

‘t Heeft me toch twee weken gekost om het helemaal te boven te komen. Maar nu ben ik er weer…

HgrJW.

« Oudere posts